Zoekopties
Home Media Explainers Onderzoek & publicaties Statistieken Monetair beleid De euro Betalingsverkeer & markten Werken bij de ECB
Suggesties
Sorteren op

Door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties voor het eurogebied, juni 2026

1 Overzicht

Door de oorlog in het Midden-Oosten, de sluiting van de Straat van Hormuz en de zeer volatiele olieprijzen blijven de economische vooruitzichten voor het eurogebied hoogst onzeker. Sommige risico’s die in de door medewerkers van de ECB samengestelde projecties van maart 2026 werden onderkend doen zich momenteel inderdaad voor: de olieprijzen stijgen verder, er ontstaat druk op de toeleveringsketens en de markten verwachten inmiddels dat de gevolgen van het conflict langer zullen aanhouden. In de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde basisprojecties van juni 2026 wordt ervan uitgegaan dat de energieprijzen de komende kwartalen relatief snel zullen dalen, in overeenstemming met de futuresprijzen.[1] Er blijft echter aanzienlijke onzekerheid bestaan over het verloop van het conflict en het effect ervan op de prijzen van energie, van sommige grondstoffen exclusief energie en op de economische bedrijvigheid, alsook over de doorwerking van de energieprijsschok in de consumptieprijzen anders dan die voor energie. Daarom zijn naast de basisprojecties ook alternatieve scenario’s opgesteld, waarin de intensiteit van de energieschok en de impact ervan op de economie van het eurogebied uiteenloopt.

Kortetermijnindicatoren wijzen op gematigde economische groei op korte termijn, doordat de hogere energieprijzen en grotere onzekerheid de binnenlandse vraag drukken. De consumptie van huishoudens zal dit jaar aanzienlijk trager groeien, terwijl die in 2025 een belangrijke aanjager van de groei was. De belangrijkste reden voor deze vertraging zijn de stijgende energiekosten, die het reëel besteedbaar inkomen uithollen en het consumentenvertrouwen temperen. Op voorwaarde dat het conflict relatief snel wordt opgelost en de daarmee gepaard gaande onzekerheid afneemt zal de zwakte van de particuliere consumptie tijdelijk blijken. Op middellange termijn zou herstel van het reëel besteedbare inkomen als gevolg van dalende energieprijzen en een veerkrachtige arbeidsmarkt stimulerend moeten werken op de binnenlandse vraag, net als stijgende overheidsuitgaven voor infrastructuur en defensie, met name in Duitsland, en investeringen in kunstmatige intelligentie (AI). Voor de uitvoer wordt opnieuw beperkte groei verwacht vanwege aanhoudende uitdagingen op het gebied van het concurrentievermogen, waarbij exporteurs uit het eurogebied hun mondiale marktaandeel verder zien dalen. Volgens de basisprojecties komt de jaarlijkse groei van het reële bbp uit op 0,8% in 2026, 1,2% in 2027 en 1,5% in 2028. Ten opzichte van de projecties van maart 2026 is de bbp-groei voor zowel 2026 als 2027 met 0,1 procentpunt naar beneden bijgesteld vanwege sterker dan verwachte effecten van de oorlog in het Midden-Oosten, terwijl de bbp-groei voor 2028 met 0,1 procentpunt naar boven is bijgesteld, omdat wordt verwacht dat deze effecten weer zullen wegebben.

Volgens de basisprojecties bereikt de totale inflatie, gemeten aan de hand van de geharmoniseerde consumptieprijsindex (HICP), in het derde en vierde kwartaal van 2026 een piek van 3,4% en blijft deze tot begin volgend jaar boven 3,0%. Oorzaak hiervan is een sterke stijging van de energie-inflatie als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. Deze stijging hangt vooral samen met een sterke en onmiddellijke doorwerking van de hogere prijzen voor ruwe aardolie in de consumptieprijzen van brandstoffen en wordt versterkt door extra druk op de prijzen van geraffineerde olieproducten. Maar omdat de effecten van de oorlog op de energieprijzen op termijn grotendeels uit de vergelijking op jaarbasis verdwijnen, daalt de totale inflatie in het tweede kwartaal van 2027 naar verwachting sterk, tot 2,3%, en schommelt daarna rond 2,0%. Dit verloop van de totale inflatie verhult de verschillen tussen de belangrijkste componenten. Prijsdalingen van energiegrondstoffen, zoals die worden afgeleid uit de futuresprijzen, en grote basiseffecten impliceren dat de energie-inflatie zal dalen en in 2027 negatief wordt, om vervolgens in 2028 te stijgen als gevolg van de invoering van het EU-emissiehandelssysteem 2 (ETS2). Daar staat tegenover dat de energieschok naar verwachting geleidelijk doorwerkt in de niet-energiecomponenten van de HICP, waarbij de inflatie in deze componenten tot medio 2027 blijft stijgen – en daarmee de daling van de inflatie in de energiecomponent gedeeltelijk tenietdoet –, alvorens in 2028 weer te matigen. De voedselprijsinflatie piekt in het tweede kwartaal van 2027 op 3,7% en neemt in 2028 af. Ook de HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen (HICPX) bereikt naar verwachting begin 2027 een hoogtepunt, op 2,7%, en neemt vanaf het tweede kwartaal van het jaar weer iets af. De indirecte en tweederonde-effecten van de huidige energieschok zullen naar verwachting kleiner zijn dan in 2021-2024, omdat ze worden getemperd door de zwakkere vooruitzichten voor de totale vraag (waardoor de inflatiecompensatie-effecten op de lonen beperkt blijven), de eerdere waardestijging van de euro en de aanhoudende invoerpenetratie uit China. Tegelijkertijd wordt aangenomen dat knelpunten in de toeleveringsketen de totale kostendruk niet significant zullen vergroten. Al met al gaan de basisprojecties uit van een HICP-inflatie die stijgt van 2,1% in 2025 tot 3,0% in 2026, die in 2027 daalt naar 2,3% en in 2028 terugkeert naar het inflatiedoel van 2,0%. Ten opzichte van de projecties van maart 2026 zijn de vooruitzichten voor de HICP-inflatie voor 2026 en 2027 naar boven bijgesteld, met respectievelijk 0,4 en 0,3 procentpunt. Dit komt vooral doordat wordt uitgegaan van hogere energie- en voedselprijzen, inclusief sterkere indirecte effecten op de inflatie exclusief energie. De inflatie voor 2028 is met 0,1 procentpunt naar beneden bijgesteld, deels vanwege een sterkere daling van de olieprijzen dan eerder werd aangenomen. De HICPX-inflatie is voor 2026, 2027 en 2028 met respectievelijk 0,2, 0,3 en 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld. De redenen hiervoor zijn hogere inflatie van zowel diensten als industriële goederen ongerekend energie (non-energy industrial goods – NEIG) in 2026-2027 en een hogere NEIG-inflatie in 2028.

Andere aannames voor de omvang en de duur van de oorlog in het Midden-Oosten en de energieprijsschok, de impact daarvan op het internationale klimaat en de onzekerheid, en de verbreiding van die impact via indirecte en tweederonde-effecten zouden sterk afwijkende macro-economische uitkomsten hebben opgeleverd. Om die onzekerheid toe te lichten hebben de samenstellers van deze projecties drie alternatieve scenario’s geschetst: een ongunstig scenario, een ernstig scenario en een mild scenario. Deze drie scenario’s illustreren alternatieve prijsontwikkelingen van energiegrondstoffen en de doorwerking daarvan in de economie van het eurogebied. Het zijn echter geen prognoses en de medewerkers kennen er geen waarschijnlijkheid aan toe.

  • In het ongunstige scenario wordt ervan uitgegaan dat de energieprijzen sterker en langduriger stijgen dan in het basisscenario. Ook de onzekerheid en de internationale overloopeffecten zijn in dit scenario groter, evenals de indirecte en tweede-ronde-effecten op de inflatie. Dit impliceert een hogere inflatie in 2026-2028 dan in de basisprojecties (Tabel 1). Omgekeerd zou de bbp-groei in 2026 en 2027 lager uitvallen dan in de basisprojecties en daaraan in 2028 gelijk zijn.
  • In het ernstige scenario wordt uitgegaan van een sterkere en langer aanhoudende energieprijsschok, grotere onzekerheid en een sterkere reactie daarop door de lonen en de prijzen exclusief energie dan in het ongunstige scenario. In het ernstige scenario wordt een aanzienlijk en aanhoudend hogere totale inflatie gedurende de projectieperiode gehanteerd dan in de basisprojecties, overeenkomstig eerdere ervaringen met niet-lineare effecten van een grote energieprijsschok. Dit scenario zou een aanzienlijke vertraging van de bbp-groei te zien geven in 2026-2027, in 2028 gevolgd door een iets snellere stijging dan in de basisprojecties. De oorzaak van die iets snellere stijging is de groei van zowel de inkomens als de vraag als gevolg van een sterker reagerende lonen.
  • In het milde scenario, ten slotte, zouden de olieprijzen sneller normaliseren dan in de basisprojectie, wat een snellere matiging van de inflatie impliceert. Die zou in 2027 en 2028 onder de doelstelling van 2% zakken, terwijl de bbp-groei iets eerder en krachtiger zou aantrekken dan in de basisprojecties.

Tabel 1

Groei- en inflatieprojecties voor het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar)

Maart 2026 – basisprojecties

Maart 2026 – basisprojecties en alternatieve scenario’s

Basisprojecties

Mild scenario

Ongunstig scenario

Ernstig scenario

Reëel bbp

2025

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

2026

0,9

0,8

0,8

0,7

0,5

2027

1,3

1,2

1,4

0,9

0,4

2028

1,4

1,5

1,6

1,5

1,6

HICP

2025

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2026

2,6

3,0

2,9

3,3

4,0

2027

2,0

2,3

1,8

3,0

5,3

2028

2,1

2,0

1,8

2,3

3,0

HICP exclusief energie en voedingsmiddelen

2025

2,4

2,4

2,4

2,4

2,4

2026

2,3

2,5

2,4

2,5

2,5

2027

2,2

2,5

2,3

2,7

3,8

2028

2,1

2,2

2,1

2,3

2,9

Toelichting: Voor het reële bbp is uitgegaan van jaargemiddelden van voor werkdagen en seizoensinvloeden gecorrigeerde gegevens. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn. De gegevens voor de basisprojecties, waaronder die op kwartaalbasis, kunnen worden gedownload uit de database met macro-economische projecties op de website van de ECB.

2 Macro-economische projecties voor het eurogebied

2.1 De reële economie

De economie van het eurogebied betoonde zich relatief veerkrachtig tegenover de handels- en onzekerheidsschokken in 2025 en het eerste kwartaal van 2026, waarbij de volatiliteit in de Ierse cijfers buiten beschouwing is gelaten. Volgens de flashraming van Eurostat is het reële bbp in het eerste kwartaal van 2026 met 0,1% gestegen.[2] Een aangepaste maatstaf voor de bbp-groei in het eurogebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ‘aangepaste binnenlandse vraag’ in plaats van de Ierse bbp-cijfers, steeg in dezelfde periode met 0,2%, iets minder dan voorzien in de projecties van maart en een daling ten opzichte van de groei van 0,4% in het vierde kwartaal van 2025 (Grafiek 1, paneel a).[3] Omdat de oorlog in het Midden-Oosten pas tegen het einde van het eerste kwartaal van 2026 begon, had die geen significant negatief effect op de groei in dat kwartaal.

Het conflict in het Midden-Oosten drukt de groeivooruitzichten op korte termijn, waarbij de energieprijsschokken en de onzekerheid sterker en hardnekkiger blijken dan eerder werd verwacht, waardoor de koopkracht en het vertrouwen verder afnemen. Enquêtegegevens van tot en met mei wijzen op een verslechtering van de groeiontwikkeling sinds het begin van de oorlog in het Midden-Oosten. De samengestelde inkoopmanagersindex (PMI) voor de productie daalde in mei licht tot 48,6 punten, na een scherpe daling in april. De oorzaak was een daling van de PMI voor de productie in de verwerkende industrie – al bleef die boven het niveau dat duidt op groei – mede door voorraadvorming vanwege mogelijke aanbodverstoringen door het conflict in het Midden-Oosten. De toekomstgerichte PMI-indicatoren verbeterden enigszins ten opzichte van de dieptepunten in april, maar de levertijden van leveranciers liepen verder op. De Economic Sentiment Indicator van de Europese Commissie daalde in april eveneens scherp, voornamelijk door de slechtere stemming onder huishoudens en in de dienstensector, maar stabiliseerde zich enigszins in mei. De over het algemeen negatieve signalen voor de groeivooruitzichten op korte termijn die uit de enquêtegegevens naar voren komen, worden deels gecompenseerd door een veronderstelde sterke stijging van de Ierse bbp-groei, die echter met aanzienlijke onzekerheid is omgeven (Grafiek 1, paneel a). Wanneer voor Ierland de aangepaste binnenlandse vraag wordt gehanteerd, komt de groeivertraging duidelijker naar voren: de groei in het eurogebied daalt dan van 0,2% in het eerste kwartaal tot 0,1% in het tweede en derde kwartaal, alvorens in het vierde kwartaal weer licht toe te nemen tot 0,2%. Dit impliceert een neerwaartse bijstelling van 0,1 procentpunt voor het derde en vierde kwartaal ten opzichte van de projecties van maart en een gematigder ontwikkeling van de handel en de consumptie dan eerder werd voorzien.

Grafiek 1

Reëel bbp van het eurogebied

a) Groei reëel bbp

(procentuele mutaties van kwartaal op kwartaal en bijdragen in procentpunten, voor seizoensinvloeden en het aantal werkdagen gecorrigeerde kwartaalcijfers)


b) Niveaus reëel bbp

(index: 2024-I = 100)

Toelichting: Historische gegevens kunnen afwijken van de meest recente Eurostat-publicaties. De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. De rode balken in paneel a) hebben betrekking op het effect van de Ierse reële bbp-groei op het totaal van het eurogebied, de gele balken op de groei in de overige landen van het eurogebied.

De groei van het reële bbp neemt naar verwachting toe van 0,8% in 2026 tot 1,2% in 2027 en 1,5% in 2028 doordat de binnenlandse vraag zich herstelt. Dit is afhankelijk van de onderliggende aannames in de energieprijsfutures dat de schok tijdelijk is en dat de bijdrage van de netto-uitvoer in 2027 positief wordt (Grafiek 2). De particuliere consumptie levert op middellange termijn de grootste bijdrage aan de groei, gevolgd door de investeringen, die zich robuust ontwikkelen. In termen van uitgavencomponenten:

  • Koopkrachtverlies en toegenomen onzekerheid zorgen op korte termijn voor gematigde consumptie van huishoudens, die echter op middellange termijn zou moeten aantrekken. Het consumentenvertrouwen is sinds het begin van de oorlog in het Midden-Oosten merkbaar gedaald, wat wijst op terughoudender consumptiegedrag. Op langere termijn trekt de groei van de particuliere consumptie naar verwachting aan, mede door herstel van de reële loongroei – die in 2026 als gevolg van hogere inflatie daalt – en de nog steeds veerkrachtige arbeidsmarkten. Voor de spaarquote van huishoudens wordt op korte termijn volatiliteit verwacht, nu de huishoudens vanwege de energieschok met spaargeld hun consumptie op peil houden. Het op peil houden van de consumptie wordt in sommige landen ondersteund met begrotingssteun voor de energieprijzen, terwijl voorzorgsmotieven tijdelijk voor enige opwaartse druk op de besparingen zouden kunnen zorgen. De spaarquote zal naar verwachting op middellange termijn geleidelijk dalen vanaf een nog steeds hoog niveau (van 14,5% van het besteedbaar inkomen in 2025 tot 13,9% in 2028), doordat de onzekerheid afneemt, voorzorgsmotieven aan belang inboeten en het vertrouwen zich weer omhoog, richting de historische norm beweegt.
  • De overheidsconsumptie blijft naar verwachting op middellange termijn de groei ondersteunen. De bijdrage van de overheidsconsumptie zal gedurende de projectieperiode echter iets lager uitvallen dan in de afgelopen jaren. Voor 2027 wordt een lichte vertraging verwacht. De belangrijkste oorzaak daarvan is het aflopen van de Next Generation EU (NGEU)-financiering in sommige landen en verdere budgettaire besparingen in andere landen (zie ook Kader 3).
  • De groei van de investeringen zwakt in 2026 licht af, maar overtreft naar verwachting de bbp-groei gedurende de gehele projectieperiode vanwege de afnemende onzekerheid over de oorlog in het Midden-Oosten, de toenemende digitalisering en de hogere bestedingen aan defensie en infrastructuur. Door de grotere onzekerheid en geringere vraag zal het conflict in het Midden-Oosten de particuliere investeringen op korte termijn temperen. Ondanks krappere financieringsvoorwaarden zullen de bedrijfsinvesteringen (exclusief de volatiele Ierse investeringen in intellectuele-eigendomsproducten) zich vanaf de tweede helft van dit jaar herstellen, doordat de onzekerheid over de energieprijzen, het conflict in het Midden-Oosten en de knelpunten in de toeleveringsketen naar verwachting afnemen. Het herstel wordt daarnaast ondersteund door de aantrekkende vraag en de toenemende digitalisering in verband met de snelle vooruitgang in AI. Na het aflopen van het NGEU-programma neemt de groei van de overheidsinvesteringen in 2027-2028 af, maar die daling wordt grotendeels gecompenseerd door de groei van de bedrijfsinvesteringen, mede dankzij overloopeffecten van de hogere uitgaven voor defensie en infrastructuur naar de private sector, en geleidelijk hogere winsten door normalisering van de vraag. De investeringen in woningen worden in de eerste helft van 2026 gekenmerkt door aanzienlijke volatiliteit, mede door de invloed van het weer in de bouwsector, terwijl de vooruitzichten ongunstiger zijn geworden door de toenemende druk aan de aanbodzijde en de afzwakkende vraag. Niettemin zullen de investeringen in woningen zich gedurende de projectieperiode verder herstellen door de veerkrachtige arbeidsmarkten en zich herstellende reële inkomens. Hogere hypotheekrentes blijven de betaalbaarheid echter drukken.
  • De uitvoer blijft naar verwachting gematigd door uitdagingen rond het concurrentievermogen van het eurogebied, die worden verergerd door factoren als de Amerikaanse invoerheffingen en de eerdere appreciatie van de euro. Op korte termijn zal de verzwakking van de mondiale bedrijvigheid als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten de groei van de uitvoer waarschijnlijk verder temperen. De omvang van de uitvoer wordt daarnaast ook op middellange termijn geremd door: (i) de veranderende vraag: door AI groeit de wereldhandel maar verschuift de vraag, weg van de belangrijkste exportproducten van het eurogebied; (ii) het vermogen van de uitvoer om op prijs te concurreren: dat blijft zwak, een zwakte die wordt versterkt door de sterke euro; en (iii) de nieuwe heffingen (zie Kader 2): die beperken de uitvoer naar de Verenigde Staten in toenemende mate en dat blijft naar verwachting ook op middellange termijn het geval. Hierdoor blijft het aandeel van het eurogebied in de mondiale exportmarkten naar verwachting gematigd. De invoer ondervindt op korte termijn de druk van de hoge energieprijzen en is zwak, en zal op middellange termijn in grote lijnen de ontwikkeling van de uitvoer volgen. Op middellange termijn leiden investeringen in AI en defensie tot vraag naar importproducten. Het uitvoersaldo levert naar verwachting een negatieve bijdrage aan de reële bbp-groei in 2026 en een kleine positieve bijdrage in 2027 en 2028.

Grafiek 2

Reële bbp-groei van het eurogebied – uitgesplitst naar belangrijkste uitgavencomponenten

(mutaties in procenten per jaar; bijdragen in procentpunten)

Toelichting: De gegevens zijn gecorrigeerd voor seizoensinvloeden en het aantal werkdagen. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn. De verticale lijn geeft het begin van de projectieperiode aan.

De binnenlandse vraag wordt naar verwachting ondersteund door aanhoudende budgettaire stimuleringsmaatregelen in verband met uitgaven voor defensie en infrastructuur. Het effect op de bbp-groei van de begrotingsuitgaven voor defensie en infrastructuur, die grotendeels voor rekening van Duitsland komen en waarvan in 2026 de sterkste impuls uitgaat, wordt geraamd op 0,5 procentpunt in de periode 2025-2028.[4] De energiesteun die overheden sinds het begin van de oorlog in het Midden-Oosten verlenen is vooral tijdelijk en heeft slechts een marginaal effect op de groei.

Vergeleken met de projecties van maart 2026 is de groei van het reëel bbp voor zowel 2026 als 2027 naar beneden bijgesteld met 0,1 procentpunt, en voor 2028 naar boven, eveneens met 0,1 (Grafiek 3 en Tabel 2). Het conflict in het Midden-Oosten heeft de olieprijzen, de geopolitieke onzekerheid en de volatiliteit op de grondstoffen- en financiële markten verder doen toenemen. De bbp-groei nam in het eerste kwartaal sterker af dan verwacht, maar dit kwam vooral door de volatiliteit van de Ierse cijfers, die aanleiding geeft tot relatief grote opwaartse bijstellingen van de Ierse groei op korte termijn. Afgezien van deze volatiliteit houdt de neerwaartse bijstelling van de groei op jaarbasis in 2026 voornamelijk verband met zwakkere vooruitzichten voor de consumptie, nu wordt aangenomen dat het conflict in het Midden-Oosten iets langer zal duren en daarom een sterker effect op de inflatie en dus op de reële inkomens zal hebben.[5] Wat het einde van de projectieperiode betreft, dalende prijzen van energiegrondstoffen, herstel van het reëel besteedbaar inkomen en een verbetering van het vertrouwen impliceren een iets sterkere groei in 2028. Omdat de groeivooruitzichten in de projecties van maart al naar beneden waren bijgesteld, wordt het verwachte effect van de oorlog op de groei duidelijker wanneer de projecties van juni 2026 worden vergeleken met die van december 2025. Daaruit blijkt een cumulatieve neerwaartse bijstelling van 0,5 procentpunt voor 2026-2027 en een opwaartse bijstelling van 0,1 procentpunt voor 2028.

Grafiek 3

Bijstellingen van de projecties voor de reële bbp-groei ten opzichte van de projecties van maart 2026

a) Uitsplitsing naar effecten binnen het jaar en overloopeffecten

b) Uitsplitsing naar belangrijkste uitgavencomponenten

(in procentpunten)

(in procentpunten)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. Bijstellingen zijn gebaseerd op niet afgeronde cijfers.

Tabel 2

Projecties voor het reële bbp, de handel en de arbeidsmarkt

(mutaties in procenten per jaar, tenzij anders aangegeven; bijstellingen in procentpunten)

 

Juni 2026

Bijstellingen t.o.v. maart 2026

2025

2026

2027

2028

2026

2027

2028

Reëel bbp

1,5

0,8

1,2

1,5

-0,1

-0,1

0,1

Reëel bbp bij aangepaste binnenlandse vraag voor Ierland1)

1,1

0,9

1,1

1,5

-0,1

-0,1

0,1

Particuliere consumptie

1,5

0,8

1,0

1,4

-0,2

-0,1

0,2

Overheidsconsumptie

1,6

1,6

1,0

1,3

-0,2

-0,1

0,0

Investeringen

3,1

1,8

1,7

2,1

-0,1

0,0

0,0

Uitvoer2)

2,1

1,1

2,6

2,9

-0,1

0,2

0,1

Invoer2)

3,8

1,6

2,4

3,0

-0,4

0,0

0,1

Bijdrage aan het bbp van:

 

 

 

 

 

 

 

Binnenlandse vraag

1,8

1,1

1,1

1,5

-0,2

-0,1

0,2

Uitvoersaldo

-0,7

-0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

Voorraadmutaties

0,3

-0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Reëel besteedbaar inkomen

1,0

0,3

1,0

1,1

-0,3

-0,2

0,2

Spaarquote huishoudens
(% van besteedbaar inkomen)

14,5

14,1

14,1

13,9

-0,5

-0,5

-0,6

Beroepsbevolking3)

0,7

0,4

0,5

0,6

-0,1

0,1

0,2

Werkloosheidspercentage

6,3

6,3

6,2

6,0

0,0

-0,1

-0,2

Lopende rekening (% bbp)

1,7

1,3

1,5

1,5

0,2

0,1

-0,1

Toelichting: Voor het reële bbp en de componenten daarvan is uitgegaan van voor werkdagen en seizoensinvloeden gecorrigeerde gegevens. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn. Bijstellingen worden berekend op grond van afgeronde gegevens.
1) De aangepaste binnenlandse vraag wordt beschreven in voetnoot 3.
2) Inclusief de handel binnen het eurogebied.
3) Aantal werkenden.

De arbeidsmarkt blijft naar verwachting veerkrachtig, omdat de tijdelijke daling van de economische bedrijvigheid door de oorlog in het Midden-Oosten voor bedrijven waarschijnlijk geen aanleiding is om tot inkrimping van hun personeelsbestand over te gaan. Na jaren van robuuste groei vertraagde de groei van de werkgelegenheid in 2025, en zelfs vóór het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten was de verwachting dat deze fase van evenwichtsherstel zich in 2026 en 2027 zou voortzetten. Uit de projecties van juni 2026 spreekt de verwachting dat bedrijven hun personeel op korte termijn grotendeels zullen aanhouden, ondanks de negatieve productieschok. Omdat de gevolgen van het conflict waarschijnlijk van voorbijgaande aard zijn, wegen de voordelen van ontslagen voor bedrijven niet op tegen het geld en de moeite die het kost om later weer personeel te moeten aannemen. De groei van de werkgelegenheid valt in 2026 naar verwachting iets lager uit dan in de projecties van maart werd voorzien, maar trekt aan in 2027 en 2028, wanneer ze naar verwachting toeneemt met 0,5-0,6% op jaarbasis (zie Grafiek 4, paneel a). Dit komt overeen met de dynamiek van de economische bedrijvigheid, waaronder positievere vooruitzichten voor de bbp-groei in 2028. Maar omdat de fase van evenwichtsherstel op de arbeidsmarkt voortduurt, blijft de werkgelegenheidsgroei onder het niveau dat men op grond van het historische verband met de productie zou verwachten. Dit aanpassingstraject leidt ertoe dat de groei van de arbeidsproductiviteit voor 2027 licht naar beneden wordt bijgesteld ten opzichte van de projecties van maart, met 0,1 procentpunt. Het werkloosheidscijfer daalt gedurende de projectieperiode naar verwachting tot 6,0% in 2028, een neerwaartse bijstelling ten opzichte van de projecties van maart (Grafiek 4, paneel b). Deze bijstelling hangt vooral samen met meevallende recente werkloosheidscijfers in sommige landen en de iets grotere groei van de productie en de werkgelegenheid die voor 2028 wordt verwacht. Voorts wordt verwacht dat structurele ontwikkelingen, zoals de demografie, zullen bijdragen tot een lager werkloosheidspercentage.

Grafiek 4

De arbeidsmarkt in het eurogebied

a) Werkgelegenheid

b) Werkloosheid

(mutaties in procenten per jaar)

(in procenten van de beroepsbevolking)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.

Kader 1
Het internationale klimaat

De oorlog in het Midden-Oosten oefent aanzienlijke neerwaartse druk uit op de wereldeconomie, voornamelijk door de prijsverhogingen van energiegrondstoffen.[6] Door de blokkade van de Straat van Hormuz en het tot dusver mislukken van de vredesonderhandelingen blijven de energieprijzen, met name de olieprijzen, hoog. Deze prijsschokken en de verstoringen in de toeleveringsketens, in combinatie met krappere mondiale financieringsvoorwaarden en toegenomen geopolitieke onzekerheid, temperen de mondiale groeivooruitzichten. Die ondervinden echter wel nog steeds steun van robuuste investeringen in AI en beleidsmaatregelen.

Volgens de projecties daalt de mondiale reële bbp-groei van 3,6% in 2025 naar 3,0% in 2026. Daarna volgt licht herstel tot 3,2% in 2027 en 3,3% in 2028 (Tabel A). Vergeleken met de projecties van maart zijn de groeivooruitzichten voor 2026 opnieuw naar beneden bijgesteld vanwege de effecten van de oorlog op de particuliere vraag en de krappere financieringsvoorwaarden, die naar verwachting gedurende de gehele projectieperiode zullen aanhouden.[7] De economische bedrijvigheid in de Verenigde Staten, die begin 2026 aantrok nadat aan de stillegging van de federale overheid een einde was gekomen, is de komende periode naar verwachting gematigd als gevolg van de hogere olieprijzen. De bbp-groei in China vlakt af tot 4,7% in 2026 en stabiliseert zich op ongeveer 4,0% in de jaren daarna.

Wereldwijd loopt de inflatie op van 3,1% in 2025 naar 3,5% in 2026, voornamelijk door hogere energieprijzen, maar ook door de prijzen van grondstoffen anders dan energie.[8] Het inflatoire effect zal naar verwachting ongelijk verdeeld zijn tussen de regio’s en wordt het sterkst gevoeld in de geavanceerde economieën en enkele grondstoffenimporterende opkomende markten. Ten opzichte van de projecties van maart is de mondiale inflatie voor 2026 met 0,4 procentpunt naar boven bijgesteld en die voor 2027 met 0,3 procentpunt.

De oorlog in het Midden-Oosten zal de buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied drukken en de uitvoerprijzen van concurrenten van het eurogebied opdrijven. Er wordt een sterke vertraging verwacht van de groei van de buitenlandse vraag, van 4,6% in 2025 tot 3,2% in 2026, gevolgd door een stijging tot 3,4% in zowel 2027 als 2028. De sterke groei van de invoer in het eerste kwartaal van 2026 hangt samen met de grotere invoervraag in de Verenigde Staten, Zuid-Korea, China en andere landen, die deels voortvloeit uit de sterke handel in technologische producten en diensten. De sterke groei verklaart grotendeels de opwaartse bijstelling voor 2026 ten opzichte van de projecties van maart. Daarna zou de wereldhandel steun moeten ondervinden van de vraag naar technologische goederen, de verminderde onzekerheid over het handelsbeleid (denk aan tarieven), en een geringere vertraging van de handel in de opkomende markten dan in de vorige projecties werd voorzien. Dit heeft ertoe geleid dat de buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied naar boven is bijgesteld, met name voor 2026. Toch zal de vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied worden getemperd door de stijgende energieprijzen. Door hogere energiekosten zullen concurrenten van het eurogebied naar verwachting te maken krijgen met een aanzienlijke stijging van hun uitvoerprijzen.

Tabel A

Het internationale klimaat

(mutaties in procenten per jaar; bijstellingen in procentpunten)

 

Juni 2026

Bijstellingen t.o.v. maart 2026

2025

2026

2027

2028

2025

2026

2027

2028

Mondiaal reëel bbp (exclusief het eurogebied)

3,6

3,0

3,2

3,3

0,0

-0,3

0,0

0,0

Wereldhandel (exclusief het eurogebied)1)

5,5

4,2

3,6

3,5

0,5

1,9

0,7

0,3

Buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied 2)

4,6

3,2

3,4

3,4

0,3

1,1

0,4

0,1

Mondiale consumptieprijsindex (exclusief eurogebied)

3,1

3,5

3,0

2,5

0,0

0,4

0,3

0,0

Uitvoerprijzen van concurrenten, in de nationale valuta3)

1,2

4,2

2,5

1,7

0,0

1,7

0,5

0,1

Toelichting: Bijstellingen worden berekend op grond van afgeronde cijfers.
1) Berekend als gewogen gemiddelde van de invoer.
2) Berekend als gewogen gemiddelde van de invoer van de handelspartners van het eurogebied.
3) Berekend als gewogen gemiddelde van de uitvoerdeflatoren van de handelspartners van het eurogebied.

Kader 2
Technische aannames

Uit de technische aannames vloeien aanzienlijk hogere olieprijzen voort dan in de projecties van maart 2026 werden voorzien, evenals een iets sterkere euro, hogere rentetarieven en een verhoging van het effectieve Amerikaanse invoertarief op invoer uit het eurogebied. De olieprijzen zijn sinds de projecties van maart opnieuw aanzienlijk gestegen, doordat de voortdurende oorlog in het Midden-Oosten heeft geleid tot ernstige verstoringen van de olietransporten via de Straat van Hormuz, die normaal ongeveer 20% van het mondiale olieaanbod uitmaken.[9] Voor het tweede kwartaal van 2026 wordt uitgegaan van een gemiddelde olieprijs van USD 112 per vat. Dat is 25% meer dan in de projecties van maart en ruim 75% meer dan in de projecties van december 2025. Ook de aannames voor de olieprijs voor 2027-2028 zijn naar boven bijgesteld, zij het minder sterk. Dit alles impliceert een sterkere daling gedurende de projectieperiode (-32% tot eind 2028 tegenover -22% in de projecties van maart). De aannames voor de gasprijzen, daarentegen, zijn voor de korte termijn licht neerwaarts bijgesteld als gevolg van de lagere vraag. Voor later in de projectieperiode zijn ze juist naar boven bijgesteld, omdat de verstoringen van de gasvoorziening naar verwachting langer zullen aanhouden. De elektriciteitsprijzen zijn voor de periode 2026-2028 gemiddeld licht naar boven bijgesteld.[10] De groei van de agrarische producentenprijzen in het eurogebied in 2026 en 2027 is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de projecties van maart, als gevolg van hogere internationale prijzen van voedsel- en energiegrondstoffen. De euro is sinds de vorige projecties met 0,7% in waarde gestegen ten opzichte van de Amerikaanse dollar en in effectieve termen met 0,3%. De marktverwachtingen voor de korte rente zijn naar boven bijgesteld: met 0,3 procentpunt voor 2027 en 0,2 procentpunt voor 2028, terwijl de lange rente voor de hele projectieperiode met 0,1 procentpunt naar boven is bijgesteld. Na de herziening van de Amerikaanse tariefregeling is het effectieve Amerikaanse invoertarief op goederen uit de EU in de projecties van juni verhoogd tot 12%, voornamelijk als gevolg van nieuwe heffingen op geoctrooieerde farmaceutische producten. In de projecties van maart werd het effectieve Amerikaanse invoertarief nog op 10,5% geraamd. Aangenomen wordt dat het gedurende de gehele projectieperiode op dit niveau blijft. Deze tarieven zijn vergelijkbaar met de geraamde effectieve invoerheffing van 13% die de Verenigde Staten aan al hun handelspartners opleggen en die grotendeels onveranderd is ten opzichte van de projecties van maart.

Tabel A

Technische aannames

Juni 2026

Bijstellingen t.o.v. maart 2026

2025

2026

2027

2028

2026

2027

2028

Grondstoffen:

Olieprijs (USD/vat)

69,1

96,9

82,2

77,1

19,2

14,0

9,8

Aardgasprijzen (EUR/MWh)

36,2

45,6

37,5

27,9

-1,6

2,4

6,9

Groothandelsprijzen elektriciteit (EUR/MWh)

83,6

89,3

78,2

68,1

1,9

0,4

4,4

Emissierechten volgens het EU-emissiehandelssysteem 1 (ETS1) (in EUR/ton CO2)

73,9

74,6

76,4

79,2

2,3

4,1

4,8

Emissierechten volgens het EU-emissiehandelssysteem 2 (ETS2) (in EUR/ton CO2)

 -

-

-

46,0

-

-

0,0

Grondstoffenprijzen m.u.v. energie, in USD (mutaties in % per jaar)

5,8

3,0

0,8

-1,9

2,2

0,3

-1,3

Agrarische producentenprijzen in het eurogebied (mutaties in % per jaar)

4,1

-0,4

2,9

-0,2

1,4

0,8

-0,7

Wisselkoersen:

 

 

 

 

 

 

 

USD/EUR-wisselkoers

1,13

1,17

1,17

1,17

0,6

0,7

0,7

Nominaal-effectieve wisselkoers van de euro (EER40) (1999-I = 100)

128,3

130,0

129,8

129,8

0,3

0,3

0,3

Financiële aannames:

 

 

 

 

 

 

 

Driemaands EURIBOR (in % per jaar)

2,2

2,4

2,8

2,7

0,1

0,2

0,1

Rendement op tienjaars overheidsobligaties (in % per jaar)

3,1

3,4

3,7

3,8

0,1

0,1

0,1

Toelichting: Bijstellingen worden uitgedrukt in procenten, behalve bij groeipercentages en procenten per jaar; dan worden procentpunten gehanteerd. Bijstellingen van groeicijfers en rentevoeten worden berekend aan de hand van cijfers die zijn afgerond tot op één decimaal, terwijl bijstellingen die worden gerapporteerd als een procentuele verandering worden berekend op basis van niet-afgeronde cijfers. De technische aannames met betrekking tot de rente en de grondstoffenprijzen in het eurogebied zijn gebaseerd op de marktverwachtingen, met als afsluitingsdatum 21 mei 2026. Voor olie worden de prijzen op de spot- en termijnmarkten van ruwe Brent-olie aangehouden. Voor gas worden de prijzen op de Dutch TTF-spot- en futuresmarkt voor gas gehanteerd. De elektriciteitsprijzen hebben betrekking op de gemiddelde groothandelsprijs voor spot- en futurescontracten voor de vijf grootste eurolanden. Voor de ‘synthetische’ prijs van futurescontracten voor ETS1-emissierechten wordt de lineair geïnterpoleerde waarde aan het einde van de maand van de twee dichtstbij liggende futures op de European Energy Exchange (ETS-futures) gehanteerd. Van de maandprijzen van de futurescontracten wordt vervolgens het gemiddelde genomen om te komen tot de prijs op jaarbasis. Omdat de omvang van de handel in ETS2-emissierechten nog ontoereikend is, zijn de prijsaannames door de samenstellers van deze projecties vastgesteld overeenkomstig de aanname die de Europese Commissie hanteert in haar economische najaarsprognose 2025 (zie het Kader Macro-economische effecten van het klimaatbeleid in het eurogebied in de projecties van het Eurosysteem van december 2025). Het beloop van de grondstoffenprijzen wordt afgeleid uit de prijzen op de futuresmarkten in de tien werkdagen tot en met de afsluitdatum, behalve voor de agrarische producentenprijzen in het eurogebied, die wordt voorspeld aan de hand van een econometrisch model dat rekening houdt met ontwikkelingen in de internationale prijzen van voedingsgrondstoffen. Verder wordt aangenomen dat de bilaterale wisselkoersen gedurende de projectieperiode onveranderd blijven op het gemiddelde niveau van de tien werkdagen tot en met de afsluitingsdatum. De aannames voor de nominale rendementen op tienjaars overheidsobligaties in het eurogebied zijn gebaseerd op het gemiddelde rendement op tienjaars obligaties van de landen, gewogen aan de hand van de jaarlijkse bbp-cijfers. Wanneer de benodigde gegevens voorhanden zijn worden de landspecifieke nominale rendementen op tienjaars overheidsobligaties gedefinieerd als het rendement op referentieobligaties met een looptijd van tien jaar, verlengd met de termijnpariteitsrendementen (forward par yields) die op de afsluitingsdatum worden afgeleid van de landspecifieke rendementscurves. Voor de overige landen worden de landspecifieke rendementen op tienjaars overheidsobligaties gedefinieerd als het rendement op tienjaars referentieobligaties dat wordt verlengd door een constante spread (per de afsluitingsdatum) aan te houden ten opzichte van de technische aanname voor de risicovrije lange rente in het eurogebied.

2.2 Prijzen en kosten

De totale HICP-inflatie is in april 2026 opnieuw aanzienlijk gestegen, waarbij de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten tot dusver voornamelijk beperkt blijven tot de energieprijzen.[11] De stijging van de totale inflatie tot 3,0% in april, tegenover 2,6% in maart (en 1,9% in februari), werd veroorzaakt door een sterke stijging van de energie-inflatie, die weer het gevolg was van zowel een stijging van de energieprijzen ten opzichte van de voorgaande maand als een opwaarts basiseffect. De voedselinflatie bleef gelijk, terwijl de HICPX-inflatie daalde van 2,3% in maart naar 2,2% in april. De stijging van de NEIG-inflatie, die voortkwam uit stijgende inputkosten in de verwerkende industrie en hogere invoerprijzen, werd ruimschoots gecompenseerd door de lagere diensteninflatie. Al met al blijven de gevolgen van het conflict voor de consumptieprijzen exclusief energie tot dusver beperkt.

Grafiek 5

HICP-inflatie in het eurogebied

a) HICP

(mutaties in procenten per jaar)


b) HICP en componenten

(mutaties in procenten per jaar; in procentpunten)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.

De gemiddelde totale inflatie neemt naar verwachting toe tot 3,0% in 2026, voornamelijk als gevolg van de hogere energieprijzen, om te dalen naar 2,0% in 2028, wanneer de gevolgen van de energieschok wegebben (Grafiek 5). De totale inflatie stijgt naar verwachting tot 3,4% in het derde kwartaal van 2026 en blijft tot begin 2027 hoog, voornamelijk onder invloed van de energiecomponent. Geleidelijk doen zich echter ook indirecte effecten van de hogere energieprijzen voor, waardoor de HICP-inflatie exclusief energie toeneemt van 2,3% begin 2026 tot gemiddeld 2,7% in 2027.[12] De in de basisprojecties voorziene indirecte en tweederonde-effecten vallen naar verwachting gematigder uit dan in de inflatieperiode 2021-2024. Dit komt voornamelijk doordat de schok in de totale energiekosten nu kleiner is, met veel geringere stijgingen van de groothandelsprijzen voor gas en elektriciteit (Grafiek 6), maar ook doordat het huidige klimaat minder inflatoir is, de geaggregeerde vraag en de arbeidsmarkt over het algemeen zwakker zijn, en de toeleveringsketens minder knelpunten kennen dan in de periode 2021-2024. Naar verwachting daalt de totale inflatie begin 2027 omdat de prijzen van energiegrondstoffen dan weer zijn gedaald en vanwege grote basiseffecten voor energie, waarbij de aanzienlijke stijgingen van de consumptieprijzen voor energie in 2026 uit de jaar-op-jaarvergelijking verdwijnen. Verwacht wordt dan ook dat de totale inflatie in het tweede kwartaal van 2027 sterk daalt, tot 2,3%, en zich op middellange termijn stabiliseert rond 2,0%. De verwachte bijdrage van de energie-inflatie is dan bijna nul en de indirecte en tweederonde-effecten van de energieschok zijn dan gering (Grafiek 5, paneel b). Mogelijke sterkere indirecte en tweederonde-effecten, zoals zich bij de vorige inflatoire schok voordeden, worden onderzocht in het scenario waarin de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten worden geanalyseerd (zie Kader 4).

Grafiek 6

Vergelijking van de groothandelsprijzen voor energiegrondstoffen in 2021-2022 met die waarvan in de huidige projecties voor 2026-2028 wordt uitgegaan

(mutaties in procenten per jaar; in procentpunten)

a) 2021-2022

b) Aannames voor de basisprojecties 2026-2028

Bron: Berekeningen van de ECB.
Toelichting: De index is samengesteld uit de prijzen van ruwe olie (EUR/vat) en de groothandelsprijzen voor gas en elektriciteit (EUR/MWh), gewogen naar het aandeel van de respectieve energiecomponent in het energieverbruik van eindgebruikers in de EU.

De energie-inflatie piekt in het derde kwartaal van 2026 op 12,5%, om in 2027 sterk te dalen als gevolg van lagere prijzen van energiegrondstoffen en negatieve basiseffecten, en in 2028 weer op te lopen door de invoering van ETS2 (Grafiek 7). Het profiel van de energie-inflatie in 2026 is zeer onzeker en wordt beïnvloed door aannames ten aanzien van de prijzen van energiegrondstoffen, met name de olieprijzen, en hoge raffinage- en distributiemarges voor transportbrandstoffen. Prijsstijgingen van ruwe olie en geraffineerde olieproducten worden volledig en snel doorberekend in de consumptieprijzen voor vloeibare brandstoffen, in overeenstemming met historische patronen en op een in alle landen min of meer vergelijkbare manier. Bij gas en elektriciteit werken de groothandelsprijzen echter met vertraging in de consumptieprijzen door, op een manier die van land tot land verschilt. Recente veranderingen in de detailhandelsmarkten voor energie duiden er echter op dat de detailhandelsprijzen, met name die voor gas, iets sneller zouden kunnen reageren op veranderingen in de groothandelsprijzen dan in 2022. Gezien het huidige profiel van de schok, die hoofdzakelijk de olieprijzen betreft, is de verwachting dat vooral de brandstofprijzen verantwoordelijk zullen zijn voor de toename van de energie-inflatie. Tegelijkertijd zullen aangekondigde overheidsmaatregelen de impact van de energieprijsstijgingen verzachten. Deze zijn geconcentreerd in het tweede kwartaal en zullen naar verwachting de energie-inflatie in 2026 met gemiddeld ongeveer 0,6 procentpunt verlagen. Gezien de dalende koersen van olie- en gasfutures en de grote neerwaartse basiseffecten begin 2027 wordt de energie-inflatie in 2027 naar verwachting negatief. De invoering van ETS2 drijft de energie-inflatie in 2028 naar verwachting op.[13]

Grafiek 7

HICP-energie-inflatie in het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.

Door de energieprijsschok neemt de voedselinflatie naar verwachting op korte termijn toe om later in de projectieperiode af te nemen tot 2% (Grafiek 8). De voedselinflatie bereikt naar verwachting in het tweede kwartaal van 2027 een hoogtepunt op 3,7% als gevolg van de stijgende binnenlandse prijzen van voedingsgrondstoffen, die weer samenhangen met de gestegen prijzen van energie en kunstmest en andere indirecte effecten van de energieprijsschok. Deze factoren doen het temperende effect van de dalende cacao- en koffieprijzen en de afnemende loondruk ruimschoots teniet. De verwachting is dat de voedselinflatie vervolgens weer afneemt doordat de grondstoffenprijzen zich stabiliseren en de indirecte effecten van de hogere energieprijzen wegebben.

Grafiek 8

De voedselinflatie in het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan.

De HICPX-inflatie stijgt eerst geleidelijk naar gemiddeld 2,5% in 2026 en 2027 en daalt vervolgens naar 2,2% in 2028 (Grafiek 9). Op korte termijn stijgt de HICPX-inflatie geleidelijk tot een piek van 2,7% in het eerste kwartaal van 2027, voornamelijk als gevolg van een duidelijke stijging van de NEIG-inflatie tot 1,5%, terwijl de diensteninflatie naar verwachting grotendeels stabiel blijft, op ongeveer 3,3%. De HICPX-inflatie daalt dan in de loop van 2027 onder invloed van een daling van de diensteninflatie. De NEIG-inflatie stijgt naar verwachting verder, bereikt een piek van 1,6% in het tweede kwartaal van 2027, en daalt dan. Dit HICPX-profiel duidt op een geleidelijke opbouw van de indirecte effecten van de hogere energieprijzen, zowel binnenlands als mondiaal, die tot uiting komen in hogere prijzen voor reisdiensten, stijgende invoerprijzen en derhalve hogere inputkosten in de verwerkende industrie, deels getemperd door de afnemende arbeidskostendruk, de eerdere appreciatie van de euro en de invoerpenetratie uit China. In 2028 zullen zowel de NEIG- als de diensteninflatie naar verwachting matigen, door de wegebbende invloed van indirecte effecten en beperkte tweederonde-effecten via de lonen. De HICPX-inflatie daalt naar verwachting tot 2,2% in 2028, waarbij de diensteninflatie 2,8% bedraagt en de NEIG-inflatie 1,1%. Dat de profielen van de diensten- en de NEIG-inflatie zich aanvankelijk anders ontwikkelen, komt deels door de verschillen in timing en omvang waarmee de energieschok in de twee sectoren doorwerkt (energieschokken hebben doorgaans een snellere en grotere, zij het minder langdurige impact op de NEIG-inflatie), alsook door het feit dat de invoerprijzen bij de NEIG-inflatie een grotere rol spelen.[14]

Grafiek 9

HICPX-inflatie in het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. De onderbroken lijnen hebben betrekking op de projecties van maart 2026. De horizontale stippellijnen hebben betrekking op de gemiddelde percentages van het eerste kwartaal van 2001 tot en met het eerste kwartaal van 2026.

Ten opzichte van de projecties van maart 2026 is de totale HICP-inflatie voor 2026 met 0,4 procentpunt en voor 2027 met 0,3 procentpunt naar boven bijgesteld; voor 2028 is ze met 0,1 procentpunt naar beneden bijgesteld (Grafiek 10, paneel a). De opwaartse bijstellingen van de totale inflatie vloeien voort uit bijstellingen van alle componenten en zijn geconcentreerd in de tweede helft van 2026 en de eerste helft van 2027. Het hogere inflatieprofiel is in overeenstemming met de recente, onverwacht hogere inflatie van onbewerkte voedingsmiddelen en de HICPX, hogere aannames voor de prijzen van energie en voedingsgrondstoffen en sterkere verwachte effecten van de oorlog in het Midden-Oosten op de niet-energiecomponenten. De neerwaartse bijstelling van de totale inflatie voor 2028 is in overeenstemming met een iets sterkere daling van de aangenomen olieprijzen dan in de projecties van maart. De hogere HICPX-inflatie gedurende de projectieperiode weerspiegelt zowel de hogere diensteninflatie als de hogere NEIG-inflatie in 2026 en 2027, waarbij de NEIG-component zorgt voor opwaartse bijstellingen in 2027-2028 (Tabel 3). Omdat de energieschok al grotendeels in de projecties van maart was verdisconteerd, verschaffen de bijstellingen ten opzichte van de projecties van vóór het conflict een vollediger beeld van de gevolgen van de oorlog. De totale inflatie voor 2026 en 2027 is aanzienlijk naar boven bijgesteld (met respectievelijk 1,1 procentpunt en 0,5 procentpunt) ten opzichte van de projecties van december 2025, als gevolg van het onmiddellijke effect van de energieschok op de energie-inflatie en de vertraagde doorwerking ervan in niet-energiecomponenten. De totale inflatie voor 2028 is echter onveranderd, omdat een opwaarts indirect effect van de inflatie exclusief energie min of meer gecompenseerd wordt door een direct neerwaarts effect van de energiecomponent (Grafiek 10, paneel b). De HICP-energie-inflatie is ten opzichte van de projecties van december 2025 met 5,8 procentpunt naar boven bijgesteld (cumulatief voor 2026-2028), terwijl de HICP-inflatie exclusief energie met 1,1 procentpunt naar boven is bijgesteld. Deze laatste bijstelling houdt voornamelijk verband met indirecte effecten en, in mindere mate, tweederonde-effecten van de energieschok. In de standaardprojectiemodellen worden deze effecten bij grote schokken in de energieprijzen mogelijk onderschat, en om de sterkere doorwerking van de hogere energieprijzen weer te geven is daarom een klein aantal (op het oordeel van de samenstellers van deze projecties gebaseerde) opwaartse bijstellingen opgenomen.

Grafiek 10

Bijstellingen van de inflatieprojectie

a) Vergelijking met de projecties van maart 2026

(in procentpunten)


b) Vergelijking met de projecties van december 2025

(in procentpunten)

Toelichting: Bijstellingen worden berekend op basis van niet afgeronde cijfers.

De nominale loongroei neemt naar verwachting in de loop van 2026 verder af, alvorens in 2027 licht te stijgen en zich in de tweede helft van de projectieperiode te stabiliseren. De groei van de loonsom per werknemer daalde in het vierde kwartaal van 2025, grotendeels in lijn met de projecties van maart. De verwachting is dat deze in de loop van 2026 verder zal dalen als gevolg van een zwakke groeidynamiek op korte termijn, een laag vertrouwen en grote onzekerheid, die ook de verwachting van een vertraging van de groei van de contractlonen ondersteunen. De groei van de loonsom per werknemer daalt naar verwachting van 3,9% in 2025 naar 3,2% in 2026, en blijft in 2027 en 2028 op dat niveau wanneer de economische omstandigheden verbeteren (Grafiek 11, paneel a). Verwacht wordt dat de reële loongroei in 2026 zal dalen en in de tweede helft van het jaar negatief wordt, alvorens in 2028 geleidelijk te convergeren naar de productiviteitsgroei (Grafiek 11, paneel b). Ten opzichte van de projecties van maart 2026 is de groei van de loonsom per werknemer voor 2026 naar beneden bijgesteld naar aanleiding van tekenen van afnemende loondruk in recente cijfers en loonakkoorden, en licht opwaarts herzien voor 2028. De huidige energieschok heeft naar verwachting een beperkt opwaarts effect op de loongroei, waarbij zwakkere vraagvoorwaarden en het minder breedgedragen karakter van de schok in vergelijking met de periode 2021-2024 helpen tweederonde-effecten te beperken.

Grafiek 11

Vooruitzichten voor de loonontwikkelingen in het eurogebied

a) Loonsom per werknemer

(mutaties in procenten per jaar)


b) Reële loonsom per werknemer, productiviteit en arbeidskosten per eenheid product

(mutaties in procenten per jaar)

Toelichting: De verticale lijn geeft het begin van de huidige projectieperiode aan. In paneel b) zijn de cijfers gedefleerd met de deflator van de particuliere consumptie.

De groei van de arbeidskosten per eenheid product zal, zo wordt voorzien, gedurende de projectieperiode geleidelijk dalen (Grafiek 11, paneel b). De afname in de loop van 2026 wordt verklaard door zowel dalende loongroei als stijgende productiviteitsgroei, terwijl ontwikkelingen op middellange termijn voortvloeien uit de productiviteitsgroei. Ook de groei van de bbp-deflator neemt naar verwachting af, als gevolg van een lagere groei van de arbeidskosten per eenheid product, die deels wordt gecompenseerd door een hogere bijdrage van de winst per eenheid product.

Verwacht wordt dat de groei van de invoerprijzen op korte termijn sterk zal stijgen alvorens in de tweede helft van de projectieperiode te dalen. Op jaarbasis zal het groeitempo van de invoerdeflator in 2026 naar verwachting 3,7% bedragen, tegenover 0,0% in 2025, onder invloed van de hogere prijsdruk van energiegrondstoffen, hoewel het tempo getemperd wordt door de eerdere appreciatie van de euro en goedkope invoer uit China. De groei van de invoerprijzen daalt dan naar verwachting tot 1,3% in 2028, als gevolg van een verwachte normalisering van de mondiale omstandigheden.

Tabel 3

Prijzen- en kostenontwikkeling voor het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar; bijstellingen in procentpunten)

 

Juni 2026

Bijstellingen t.o.v. maart 2026

2025

2026

2027

2028

2026

2027

2028

HICP

2,1

3,0

2,3

2,0

0,4

0,3

-0,1

HICP exclusief ETS21)

2,1

3,0

2,3

1,9

0,4

0,3

0,0

HICP exclusief energie

2,5

2,5

2,7

2,2

0,2

0,3

0,0

HICP exclusief energie en voedingsmiddelen

2,4

2,5

2,5

2,2

0,2

0,3

0,1

HICP exclusief energie, voedingsmiddelen en wijzigingen in de indirecte belastingen

2,4

2,4

2,5

2,2

0,2

0,3

0,1

HICP industriële goederen m.u.v. energie

0,6

0,9

1,5

1,1

0,2

0,6

0,2

HICP diensten

3,4

3,3

3,0

2,8

0,2

0,1

0,0

HICP energie

-1,4

8,4

-1,3

-0,1

2,2

0,7

-0,8

HICP voedingsmiddelen

2,8

2,6

3,5

2,4

0,2

0,6

0,1

Bbp-deflator

2,5

2,4

2,5

2,1

0,0

0,2

-0,1

Particuliere-consumptiedeflator

2,0

3,0

2,4

2,1

0,2

0,4

0,0

Invoerdeflator

0,0

3,7

2,1

1,3

-0,6

0,7

0,4

Loonsom per werknemer

3,9

3,2

3,2

3,2

-0,2

0,0

0,1

Reële loonsom per werknemer

1,8

0,1

0,8

1,0

-0,5

-0,4

0,0

Productiviteit per werknemer

0,7

0,4

0,8

1,0

0,0

-0,1

0,0

Arbeidskosten per eenheid product

3,1

2,8

2,4

2,2

-0,2

0,1

0,1

Winst per eenheid product2)

1,1

1,6

2,3

2,3

0,5

0,0

-0,1

Toelichting: Bijstellingen worden berekend aan de hand van cijfers die zijn afgerond op één decimaal. De cijfers voor de bbp- en de invoerdeflator, de arbeidskosten per eenheid product, de loonsom per werknemer en de productiviteit per werknemer zijn gecorrigeerd voor seizoensinvloeden en het aantal werkdagen. Historische cijfers kunnen afwijken van die in de meest recente Eurostat-publicaties wanneer er na de afsluitingsdatum van de projecties nog gegevens gepubliceerd zijn.
1) Zie voetnoot 13 voor het effect van ETS2 op de HICP-inflatie in 2028.
2) De winst per eenheid product wordt gedefinieerd als het bruto-exploitatieoverschot en het gemengd inkomen (gecorrigeerd voor het inkomen van zelfstandigen) per eenheid van het reële bbp.

Kader 3
Begrotingsvooruitzichten

Na een lichte verkrapping in 2025 met 0,1 procentpunt bbp, zal de begrotingskoers van het eurogebied naar verwachting in 2026 met 0,5 procentpunt worden versoepeld en vervolgens in 2027-2028 weer licht verkrappen (Tabel A).[15] De verkrapping in 2025 was voornamelijk toe te schrijven aan discretionaire verhogingen van de sociale-verzekeringspremies en andere belastingen, die gedeeltelijk werden gecompenseerd door extra uitgaven, met name voor overheidsinvesteringen en -consumptie. De versoepeling aan de uitgavenzijde zal naar verwachting in 2026 aanhouden, voornamelijk als gevolg van overheidsinvesteringen en begrotingsoverdrachten. De stijging van de investeringen is voornamelijk het gevolg van de hoge uitgaven voor defensie en infrastructuur in Duitsland en in enkele kleinere landen, alsook van Next Generation EU-projecten (NGEU). De voor 2027 en 2028 verwachte verkrapping van de begrotingskoers is voornamelijk toe te schrijven aan niet-discretionaire factoren, terwijl, wat discretionaire maatregelen betreft, de verwachte verkrapping van de begrotingskoers in veel landen, waaronder Italië, Frankrijk en Spanje (onder andere na het aflopen van de meeste NGEU-financiering), grotendeels wordt gecompenseerd door stimuleringsmaatregelen, voornamelijk in Duitsland.[16]

Vergeleken met de projecties van maart wordt verwacht dat de begrotingskoers in 2026 iets ruimer en in 2027 iets krapper zal zijn, en in 2028 ongewijzigd zal blijven. In 2025 was een verdere lichte verkrapping voornamelijk toe te schrijven aan de overheidsconsumptie (die in Frankrijk neerwaarts verraste), terwijl de overheidsinvesteringen iets hoger lagen dan in de projecties van maart werd geraamd. De sterkere versoepeling in 2026 ten opzichte van de projecties van maart en de overeenkomstige omslag (sterkere verkrapping) in 2027 worden voornamelijk veroorzaakt door de nieuwe tijdelijke energiesteunmaatregelen die de regeringen sinds het begin van de oorlog in het Midden-Oosten hebben genomen (ter waarde van ongeveer 0,1% bbp) en door de overheidsconsumptie.

Het begrotingstekort en de schuldquote in het eurogebied zullen naar verwachting stijgen, waarbij het tekort in 2027 een piek bereikt van ruim boven de drempel van 3% en de schuld in 2028 op 90% bbp uitkomt. Na een iets lager dan verwacht begrotingstekort van het eurogebied van 2,9% bbp in 2025 zal het tekort naar verwachting sterk toenemen tot 3,6% bbp in 2026 en een piek bereiken van 3,7% in 2027. Het grootste deel van de stijging van het tekort gedurende de projectieperiode is het gevolg van een gestage stijging van de rentebetalingen (met ongeveer 0,5 procentpunt bbp). Daarnaast weerspiegelt de scherpere stijging van het tekort in 2026 de hierboven beschreven versoepeling van de begrotingskoers en een lichte verslechtering van de conjuncturele component. Verwacht wordt dat die laatste in 2027 zal aanhouden, wat bijdraagt tot een hoger tekort, maar in 2028 zal omslaan, wanneer deze, in combinatie met de verwachte budgettaire verkrapping, tot een lichte verbetering van de begrotingssituatie leidt. De geraamde schuldquote van het eurogebied vertoont een stijgende lijn doordat de aanhoudende primaire tekorten en positieve tekort-schuldcorrecties de gunstige, zij het afnemende, effecten van rente/groei-ecarts lijken te compenseren. Ten opzichte van de projecties van maart wordt verwacht dat het tekort, na kleine schommelingen in de periode 2025-2026, in de jaren erna onveranderd zal blijven, terwijl de schuldquote enigszins opwaarts is bijgesteld vanwege minder gunstige rente/groei-ecarts en tekort-schuldaanpassingen.

Tabel A

Begrotingsvooruitzichten voor het eurogebied

(in procenten bbp; bijstellingen in procentpunten)

 

Juni 2026

Bijstellingen t.o.v. maart 2026

2024

2025

2026

2027

2028

2025

2026

2027

2028

Begrotingskoers1)

0,9

0,1

-0,5

0,4

0,2

0,1

-0,2

0,2

0,0

Algeheel begrotingssaldo overheid

-3,0

-2,9

-3,6

-3,7

-3,6

0,1

-0,2

0,0

0,0

Structureel begrotingssaldo2)

-3,0

-3,0

-3,6

-3,7

-3,7

0,1

-0,1

0,0

0,0

Bruto-overheidsschuld

86,6

87,4

88,7

89,4

90,0

-0,1

0,3

0,4

0,5

Toelichting: Bijstellingen zijn gebaseerd op niet afgeronde cijfers.
1) De begrotingskoers wordt gemeten als de mutatie in het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo. De cijfers zijn ook gecorrigeerd voor het feit dat inkomsten uit subsidies in het kader van het Next Generation EU-programma (NGEU) niet aan de binnenlandse economie worden onttrokken. Een negatief (positief) cijfer impliceert een versoepeling (verkrapping) van de begrotingskoers.
2) Het structureel begrotingssaldo wordt berekend als het overheidssaldo onder aftrek van voorbijgaande conjunctuureffecten (of het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo, waarnaar hierboven wordt verwezen, plus rentebetalingen) en na aftrek van maatregelen die volgens de definitie van het Europees Stelsel van centrale banken als tijdelijk worden beschouwd.

3 Alternatieve scenario’s voor de economische gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten

De belangrijkste onzekerheden rond de door medewerkers samengestelde projecties van juni 2026 houden verband met de huidige oorlog in het Midden-Oosten en het effect daarvan op de energieprijzen en de onzekerheid, en de verdere doorwerking naar de economie.[17] Ter illustratie van deze onzekerheden worden de projecties, net als de projecties van maart 2026, aangevuld met een reeks alternatieve scenario’s. Die scenario’s illustreren alternatieve ontwikkelingen van de prijzen van energiegrondstoffen en de doorwerking ervan naar de economie van het eurogebied. De medewerkers kennen geen kansen toe aan deze scenario’s. Ze zijn bedoeld om de belangrijkste onzekerheden met betrekking tot de effecten van het conflict te illustreren. Terwijl in het basisscenario rekening is gehouden met het prijsverloop van energiegrondstoffen dat in de technische aannames is verwerkt (zie Kader 2), verschillen de alternatieve scenario’s in drie belangrijke opzichten: de omvang van de energieschok, de mate van onzekerheid en de kracht van de transmissie van de energieschok naar de prijzen exclusief energie (Tabel 4). Wat de transmissie betreft, kunnen niet-lineariteiten en tweederonde-effecten op de inflatie van belang zijn in de context van grote schokken, wat een belangrijke les was uit de beoordeling door de ECB van de monetairbeleidsstrategie in 2025 (zie Kader 4). In gevoeligheidsanalyses voor het ernstige scenario worden de gevolgen onderzocht van twee risico’s die momenteel zeer vaak voorkomen, namelijk rantsoenering van de energievoorziening en tekorten aan vliegtuigbrandstof. In lijn met de gebruikelijke conventie voor scenarioanalyses in de door medewerkers samengestelde projecties wordt er in de scenario’s van uitgegaan dat het monetair en begrotingsbeleid in het eurogebied dezelfde zijn als in het basisscenario.[18] De projecties voor de korte en lange rente zijn gebaseerd op marktverwachtingen.

Tabel 4

Beschrijving van het basisscenario en de alternatieve scenario’s met betrekking tot de oorlog in het Midden-Oosten

Scenario

Prijzen van energiegrondstoffen

Onzekerheid

Indirecte en tweederonde-effecten op de inflatie

Reactie begrotings- en monetair beleid in het eurogebied

Basisprojectie

De prijzen van energiegrondstoffen volgen de technische aannames1

In overeenstemming met de waargenomen stijging van de VIX-index in de weken na het uitbreken van het conflict, vóór de daaropvolgende ommekeer tot en met 21 mei 2026

Beperkte opwaartse oordeelsvorming om rekening te houden met mogelijk grotere effecten dan de standaardelasticiteiten van het model als gevolg van de omvang van de energieschok

De korte rente volgt de technische aannames1. Alleen begrotingsbeleid in wetgeving of aangekondigd en goed uitgewerkt beleid wordt in aanmerking genomen

Mild scenario

De prijzen van energiegrondstoffen volgen het 25e percentiel van de door de markt afgeleide waarschijnlijkheidsverdelingen1

Onveranderd ten opzichte van het basisscenario

Onveranderd ten opzichte van het basisscenario

Geen, behalve de in het basisscenario opgenomen maatregelen

Ongunstig scenario

De prijzen van energiegrondstoffen volgen het 75e percentiel van de door de markt afgeleide waarschijnlijkheidsverdelingen1

Een stijging van de VIX-index van ongeveer 10 punten, met een snelle omslag aan het eind van 2026 naar het niveau van het vierde kwartaal van 2025

Sterkere kalibratie dan in het basisscenario op basis van de inflatiedynamiek en satellietmodellen voor de periode 2021-2024 (zie Kader 4)

Geen, behalve de in het basisscenario opgenomen maatregelen

Ernstig scenario

De prijzen van energiegrondstoffen volgen het 95e percentiel van de door de markt afgeleide waarschijnlijkheidsverdelingen1

Een stijging van de VIX-index met ongeveer 14 punten en de onzekerheid blijft daarna tot eind 2027 aanzienlijk hoger dan in het ongunstige scenario

Sterkere kalibratie dan in het ongunstige scenario op basis van de inflatiedynamiek en satellietmodellen voor de periode 2021-2024 (zie Kader 4)

Geen, behalve de in het basisscenario opgenomen maatregelen

1) De afsluitingsdatum van de technische aannames en de door de markt geïmpliceerde waarschijnlijkheidsverdeling is 21 mei 2026.

3.1 Belangrijkste aannames die aan de alternatieve scenario’s ten grondslag liggen

3.1.1 Prijzen van energiegrondstoffen

In de alternatieve scenario’s worden distributies gebruikt die zijn afgeleid van de van opties afgeleide waarschijnlijkheden om alternatieve ontwikkelingen voor de olieprijzen en groothandelsprijzen voor gas vast te stellen. Aangenomen wordt dat de olie- en gasprijzen vanaf het derde kwartaal van 2026 het 25e percentiel van de marktgebaseerde verdelingen volgen in het mildere scenario, het 75e percentiel in het ongunstige scenario en het 95e percentiel in het ernstige scenario (Grafkiek 12).[19] Deze percentielen bieden een marktgebaseerde beoordeling van de huidige risico’s rond de energieprijzen en omvatten impliciet alternatieve ontwikkelingen van de oorlog in het Midden-Oosten en de gevolgen daarvan voor verstoringen van de energievoorziening.

  • In het mildere scenario daalt de olieprijs tot $ 88 per vat en de gasprijzen tot € 41 per MWh in het derde kwartaal van 2026 en ligt deze gedurende de gehele projectieperiode ongeveer 15-20% onder het referentieniveau. Dit verwachte beloop weerspiegelt waarschijnlijk de verwachting van beleggers dat het conflict zeer snel zou kunnen worden opgelost, wat zou leiden tot een snelle normalisering van de mondiale olie- en gasmarkten en een terugkeer van de prijzen naar het niveau van voor de oorlog tegen eind 2026.
  • In het ongunstige scenario stijgt de olieprijs tot USD 122 per vat en de gasprijzen tot € 60 per MWh in het derde kwartaal en blijft deze gedurende de gehele projectieperiode ongeveer 20-30% boven het niveau van de basisprojectie, waarschijnlijk als gevolg van de marktverwachtingen van een langer conflict dan in het basisscenario wordt aangenomen.
  • In het ernstige scenario stijgen de olieprijzen ten opzichte van het basisscenario met circa 60% en verdubbelen de gasprijzen tot respectievelijk $ 166 per vat en € 98 per MWh in het derde kwartaal. De schokken zijn ook zeer hardnekkig, waarbij de afwijkingen ten opzichte van het basisscenario aan het einde van de projectieperiode nog steeds van vergelijkbare omvang zijn. Deze hardnekkigheid is deels het gevolg van grotere onzekerheid op langere termijn, waardoor de van opties afgeleide waarschijnlijkheden toenemen. Ook kan deze een afspiegeling vormen van marktverwachtingen van een langdurig conflict in combinatie met aanzienlijke schade aan de regionale infrastructuur voor de olie- en gasproductie, waardoor de energieprijzen gedurende langere tijd hoog blijven.

Grafiek 12

Aannames voor het beloop van de prijzen van olie en Europees aardgas

a) Olieprijzen

b) Gasprijzen

(USD per vat)

(EUR per MWh)

Bronnen: Refinitiv en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: De afsluitingsdatum voor deze aannames was 21 mei 2026.

Tabel 5

Scenario’s voor prijzen van energiegrondstoffen – niveau en afwijking ten opzichte van het basisscenario

Scenario

2026-III (USD/vat of EUR/MWh)

2026-III (% afwijking t.o.v. basisscenario)

2028-IV (USD/vat of EUR/MWh)

2028-IV (% afwijking t.o.v. basisscenario)

Milder

Olieprijzen

88

-15%

64

-16%

Gasprijzen

41

-16%

20

-22%

Ongunstig

Olieprijzen

122

19%

90

19%

Gasprijzen

60

25%

34

31%

Ernstig

Olieprijzen

166

62%

124

63%

Gasprijzen

98

104%

55

109%

Bron: ECB en berekeningen van medewerkers van de ECB.

3.1.2 Onzekerheid en de doorwerking daarvan in de financieringsvoorwaarden

In het ongunstige en het ernstige scenario wordt aangenomen dat een escalatie van de oorlog in het Midden-Oosten de mondiale onzekerheid zou vergroten en zou leiden tot een herbeprijzing op de financiële markten – zij het in uiteenlopende mate – die de particuliere consumptie, de investeringen en de handel zou drukken. De VIX-index wordt in de scenario’s gebruikt als maatstaf voor de mondiale onzekerheid. Er wordt uitgegaan van een tijdelijke piek bij het ongunstige scenario, die bij het ernstige scenario hoger en hardnekkiger zou zijn. Deze aannames zijn grotendeels in overeenstemming met eerder waargenomen periodes van vergelijkbare geopolitieke spanningen, onder meer tijdens de oorlog van Rusland tegen Oekraïne en het conflict in het Midden-Oosten in oktober 2023 (Grafiek 13, paneel a). Over het algemeen heeft de onzekerheid in de scenario’s op twee manieren invloed op de economie: op directe wijze, door het effect op het reële bbp in de vorm van schokken in consumentenvertrouwen, en op indirecte wijze, door de transmissie ervan naar de financieringsvoorwaarden.

Grafiek 13

Aannames voor de VIX-index en impact op enkele financiële variabelen

a) VIX-index

(index)


b) Rendementsecarts op bedrijfsobligaties en bedrijfskredieten in het ongunstige en ernstige scenario

(afwijkingen van het basisscenario in basispunten)

Bronnen: ECB; CBOE Global Markets en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: In paneel a) verwijst het basisscenario naar een onvoorwaardelijk voorspeld beloop uit een Bayesiaans vector-autoregressiemodel (BVAR) en komt het niet overeen met de aannames die ten grondslag liggen aan de basisprojecties in termen van onzekerheidseffecten. Het model omvat de VIX-index, het bbp van het eurogebied, de particuliere consumptie, de bedrijfsinvesteringen, de HICP-inflatie en de korte rente. De VIX-index wordt gebruikt als maatstaf voor de onzekerheid omdat deze rechtstreeks wordt ingevoerd in het financiële model in paneel b). In paneel b) zijn de financiële variabelen het resultaat van een prognose met gebruikmaking van een daily-monthly Markov-switching BVAR-model met gemengde frequentie, waarvoor het verloop van de VIX-index in het scenario als input heeft gediend. Het model omvat de VIX-index, aandelen van zowel banken als ondernemingen, de ecarts op bankobligaties, de ecarts bij zowel huishoudens- als bedrijfskredieten, en zowel de kortlopende als de langlopende marktrente in de projecties. De meest recente waarneming voor de VIX-index betreft 21 mei 2026.

In het ongunstige scenario heeft de tijdelijke toename van de onzekerheid een kortstondige impact op de kosten van schuldfinanciering via de markt voor bedrijven in het eurogebied en leidt deze tot een relatief gematigde reactie van de prijsstelling van leningen. In het ernstige scenario vallen de effecten duidelijker uit, omdat in dat geval wordt uitgegaan van een langer aanhoudende volatiliteit (Grafiek 13, paneel b).[20] In het ongunstige scenario stijgen de rendementsecarts op bedrijfsobligaties met ongeveer 40 basispunten voor één kwartaal, maar nemen ze weer snel af. Het model voorspelt daarbij een snelle terugkeer naar een toestand van lage volatiliteit. In het ernstige scenario blijven de ecarts tot 2027 aanzienlijk hoger dan in het basisscenario en nemen ze pas tegen het einde van de projectieperiode af, wanneer de VIX-index in lijn is met een toestand van lage volatiliteit. De ecarts bij kredieten (boven de risicovrije rente) vertonen in het ongunstige scenario een beperkte en geleidelijke stijging, aangezien banken de gevolgen van tijdelijk grotere financiële onzekerheid zouden kunnen opvangen, terwijl de stijging in het ernstige scenario sterker en langduriger is. In het ongunstige scenario daalt de waardering van bedrijfsaandelen in het derde en vierde kwartaal van 2026 gemiddeld met ongeveer 7 procentpunt, waarna die zich in 2027 vrijwel volledig herstelt. In het ernstige scenario blijft die waardering in 2027 meer dan 10% onder het basisscenario.

3.2 Macro-economische gevolgen

3.2.1 Internationale klimaat

Aangezien de directe handelsbetrekkingen met de conflictregio relatief beperkt zijn, zal de schok naar verwachting vooral doorwerken in de wereldeconomie in de vorm van toegenomen onzekerheid en directe en indirecte effecten van hogere energie- en voedselprijzen (Grafiek 14). De toegenomen onzekerheid zal naar verwachting wereldwijd de activaprijzen doen dalen, de financieringsvoorwaarden verkrappen en de uitgaven en handel verzwakken. Hogere olie- en gasprijzen doen de invoerkosten stijgen en de reële inkomens dalen en drukken het zwaarst op energie-invoerende economieën. De stijgende energiekosten drijven ook de voedselprijzen op, waardoor de inflatie toeneemt en de mondiale vraag verder wordt getemperd.[21]

In het ongunstige scenario wordt de wereldeconomie getroffen door een gematigde maar aanhoudende negatieve aanbodschok. De combinatie van de onzekerheid, energie en voedingsmiddelen zorgt voor neerwaartse druk op de economische bedrijvigheid en opwaartse druk op de inflatie. Het vertrouwen neemt af, de druk op de invoerkosten stijgt en het reële inkomen daalt. Voor de Verenigde Staten wordt verwacht dat de bbp-groei in 2027 ongeveer 0,1 procentpunt lager uitkomt dan in het basisscenario, terwijl de inflatie in 2027 een piek van ongeveer 0,6 procentpunt boven het basisscenario bereikt. Voor de wereldeconomie exclusief het eurogebied wordt verwacht dat de bbp-groei in 2027 ongeveer 0,2 procentpunt lager uitkomt dan in het basisscenario, terwijl de inflatie in 2027 een piek van ongeveer 0,9 procentpunt boven het basisscenario bereikt. Wat het eurogebied betreft, daalt de nominaal-effectieve wisselkoers naar verwachting licht om daarna te normaliseren, terwijl de buitenlandse vraag in 2028 ongeveer 0,9% onder het basisscenario zal liggen.

Grafiek 14

Gevolgen voor de Verenigde Staten en de wereldeconomie exclusief het eurogebied

a) Verenigde Staten

(afwijking t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)


b) Wereldeconomie exclusief het eurogebied

(afwijking t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

Bronnen: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties met ECB-GLOBAL-modellen.
Toelichting: De simulaties worden uitgevoerd voor een prognose met het GLOBAL-model van de ECB waarbij het monetair beleid van het eurogebied exogeen is.

In het ernstige scenario is de negatieve aanbodschok veel groter en blijven de effecten ervan langer aanhouden. De energieschok, die langer en hardnekkiger is, genereert een sterkere inflatie-impuls, de onzekerheid neemt sterker toe en de grotere effecten van voedselgerelateerde factoren hollen de koopkracht in alle economieën verder uit. Voor de Verenigde Staten wordt verwacht dat de bbp-groei in 2027 ongeveer 0,5 procentpunt lager uitkomt dan in het basisscenario, terwijl de inflatie in 2027 een piek van ongeveer 1,7 procentpunt boven het basisscenario bereikt. Voor de wereldeconomie exclusief het eurogebied wordt verwacht dat de bbp-groei in 2027 ongeveer 1 procentpunt lager uitkomt dan in het basisscenario, terwijl de inflatie in 2027 een piek van ongeveer 2,6 procentpunt boven het basisscenario bereikt. Wat het eurogebied betreft, zal de nominaal-effectieve wisselkoers eerst dalen om daarna te normaliseren, terwijl de buitenlandse vraag in 2028 naar verwachting ongeveer 3% onder het basisscenario zal liggen.

In het mildere scenario ebben deze negatieve overloopeffecten sneller weg. In dat scenario is de groei hoger en de inflatie lager dan in de mondiale basisprojectie. Naarmate de energieprijzen weer sneller dalen, neemt de inflatie-impuls sneller af, daalt de onzekerheid, normaliseren de financieringsvoorwaarden en groeit de buitenlandse vraag. Daardoor doet de wereldhandel het beter en profiteert het eurogebied van een meer ondersteunende externe omgeving dan in het basisscenario.

Kader 4
Kalibratie van de indirecte en tweederonde-effecten op de inflatie exclusief energie in het eurogebied in de alternatieve scenario’s

Door Antoine Kornprobst en Srečko Zimic

De inflatieperiode 2021-2024 in het eurogebied laat zien dat de doorwerking van grote energieprijsschokken aanzienlijk sterker kan zijn dan waargenomen in de historische patronen die in standaardprojectiemodellen zijn opgenomen. Uit prognose-evaluaties met behulp van het ECB-BASE-model blijkt dat de standaardparameters van projectiemodellen, op basis van ramingen over een lange onderzoeksperiode, een aanzienlijk kleinere doorwerking van energieschokken in de consumptieprijzen impliceren dan in 2021-2024.[22] Grafiek A laat zien dat alternatieve (niet-lineaire) empirische kaders op een aanzienlijk sterkere doorwerking van energieschokken uitkomen dan standaardmodellen. De elasticiteiten in de projectiemodellen van het Eurosysteem wijzen op een niet-lineaire aanpassing die afhangt van het niveau van de olieprijzen. Uit een geraamd niet-lineair panelmodel blijkt dat de doorwerking van energieprijzen in de inflatie veel sterker wordt wanneer schokken optreden in een omgeving die wordt gekenmerkt door krappe arbeidsmarkten, hoge inflatie en grote schokken. Een Bayesiaans autoregressief model (BVAR) voor inflatie laat een even sterke doorwerking van energieprijzen in de consumptieprijzen zien. Een machinelearningmodel dat niet-lineaire gegevens kan produceren, laat zien dat grote inflatoire schokken nog sterkere effecten hebben (ongeveer 1,5 keer groter dan na middelgrote schokken).[23] Ook het Bernanke-Blanchard-model, dat specifiek is ontworpen om de sterke inflatiestijging van 2021-2024 te analyseren, wijst op veel sterkere reacties van de lonen, de kerninflatie en de totale inflatie dan de reguliere ECB-BASE-elasticiteiten. Niet-lineaire versies van structurele modellen zoals het new area-wide model (NAWM II) wijzen erop dat grote energieschokken tot asymmetrische en situatieafhankelijke prijsreacties kunnen leiden via niet-lineaire Phillips-curves en indirecte kanalen voor productiekosten.

Om rekening te houden met deze bevindingen is het ECB-BASE-model in alle scenario’s verschillend gekalibreerd om een deel van de sterkere indirecte en tweederonde-effecten weer te geven die zich in het ongunstige en ernstige scenario waarschijnlijk zouden voordoen (Grafiek A). Het huidige klimaat verschilt van dat van de inflatieperiode 2021-2024. Over het geheel genomen is er nu sprake van een zwakkere vraag, minder verstoring van de toeleveringsketens, minder begrotingssteun en een iets geringere mate van krapte op de arbeidsmarkt, wat wijst op een zwakkere transmissie dan tijdens die periode. Tegelijkertijd zouden de herinnering aan de eerdere inflatie en het mondialere karakter van de huidige schok de doorwerking kunnen versterken. De kalibraties zijn daarom bedoeld om een plausibele sterkere doorwerking dan in het standaard ECB-BASE-model weer te geven, maar nog steeds in mindere mate dan tijdens de periode 2021-2024. Aangezien de scenarioanalyse ten doel heeft risico’s te beoordelen in plaats van de meest waarschijnlijke prognose te geven, is het belangrijk om de mogelijkheid van niet-lineaire verhoudingen in overweging te nemen. Het ongunstige en het ernstige scenario omvatten daarom een sterkere doorwerking in de HICP-energie- en voedselinflatie, een sterkere transmissie van de energieprijzen naar de kerninflatie (d.w.z. de inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen), een grotere gevoeligheid van de inflatieverwachtingen voor de gerealiseerde inflatie, en een hogere loonindexering.[24],[25], In het mildere scenario wordt uitgegaan van dezelfde indirecte en tweederonde-effecten als in de basisprojectie (zie Paragraaf 2.2).

Grafiek A

Doorwerking van de energieschok in de totale en de kernprijzen voor verschillende modellen na twaalf kwartalen

Bronnen: Berekeningen van medewerkers van de ECB.
Toelichting: De balken tonen de gemiddelde doorwerking van de energieprijzen in de consumptieprijzen, berekend als het gemiddelde percentage van de impulsreacties van het prijspeil over een periode van twaalf kwartalen. De zichtbare doorwerking wordt gemeten als de verhouding van de cumulatieve afwijkingen van de relevante prijsindex van een groei op kwartaalbasis van 0,5% tot de cumulatieve afwijkingen van een synthetische prijsindicator van energiegrondstoffen, waarbij afwijkingen worden berekend ten opzichte van het eerste kwartaal van 2020. Het resultaat komt overeen met het gemiddelde van de kwartaalratio’s in de periode 2022-2024, zodat de projectieperiode afgestemd is op de modelsimulaties over twaalf kwartalen. Een langere periode zou de kwalitatieve resultaten niet veranderen. Op de prijsindexen is trendeliminatie toegepast met een groei van 2% op jaarbasis. De doorwerking is berekend op basis van een reeks modellen, zie: Angelini, E., Bokan, N., Christoffel, K., Ciccarelli, M. en Zimic, S., Introducing ECB-BASE: The blueprint of the new ECB semi-structural model for the euro area, Working Paper Series, nr. 2315, ECB, september 2019; Arce, O., Ciccarelli, M., Kornprobst, A. en Montes-Galdón, C. What caused the euro area post-pandemic inflation?, Occasional Paper Series, nr. 343, ECB, februari 2024; Bobeica, E., Holton, S., Huber, F. en Martínez Hernández, C., Beware of large shocks! A non-parametric structural inflation model, Working Paper Series, nr. 3052, ECB, mei 2025; Bańbura, M., Bobeica, E. en Martínez Hernández, C., What drives core inflation? The role of supply shocks, Working Paper Series, nr. 2875, ECB, november 2023, herzien maart 2026; Martínez Hernández, C, The granular transmission of energy shocks to inflation, 2026, vlugschrift; en Coenen, G., Karadi, P., Schmidt, S. en Warne, A., The New Area-Wide Model II: an extended version of the ECB’s micro-founded model for forecasting and policy analysis, Working Paper Series, nr. 2200, ECB, november 2018. Bij de kalibraties in het ongunstige en ernstige ECB-BASE-scenario wordt rekening gehouden met het feit dat de schokken ook doorwerken in het gebied waar niet-lineaire effecten kwantitatief relevant worden en de voorspellingen van het lineaire model de doorwerking zouden onderschatten. Bij de evaluatie achteraf van de voorspellingen door de modellen voor de periode 2021-2024 zijn de transmissiemechanismen achter de fouten vastgesteld: een onderschatte doorwerking van de energieprijzen in de HICP-indexen voor energie, voedingsmiddelen en kerninflatie, en te trage inflatieverwachtingen in combinatie met een zwakke nominale loonindexering. Bij de nieuwe kalibraties is de doorwerking naar de totale en kerninflatie versterkt door de volgende factoren te verhogen: 1) de doorwerking van de groothandelsprijzen voor grondstoffen in de consumptieprijzen voor energie en voedingsmiddelen, 2) de doorwerking in de prijzen van industriële goederen en diensten exclusief energie, waarbij de breedgedragen prijsstijgingen het gevolg zijn van de indirecte effecten van de energieprijzen op de productiekosten (nutsvoorzieningen, intermediaire inputs en vervoer), 3) de stijging van de inflatieverwachtingen als gevolg van de waargenomen inflatie, en 4) de indexering van de lonen aan de hand van de eerdere consumptieprijsinflatie. De kalibratie van de doorwerking is getoetst aan de hand van een reeks modellen: de elasticiteiten van de aggregatie voor het eurogebied van de projectiemodellen van het Eurosysteem, een panelmodel voor de kerninflatie, het Bernanke-Blanchard-model, het BVAR-inflatiemodel en de niet-lineaire variant van het NAWM II-model. De elasticiteiten van de projectiemodellen van het Eurosysteem zijn gestandaardiseerde elasticiteiten van belangrijke macro-economische variabelen voor gemeenschappelijke schokken die door de centrale banken van het Eurosysteem worden gebruikt voor de projecties van medewerkers. Het panelmodel is een niet-lineair doorwerkingsmodel voor de geraamde HICPX van negen economieën van het eurogebied (België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland) voor de periode van het eerste kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2025. ‘Lage inflatie’ komt overeen met een initiële niet-kerninflatie van 0%, en ‘hoge inflatie’ met een initiële niet-kerninflatie van 15%. Met een ‘ruime arbeidsmarkt’ wordt een initiële verhouding tussen de vacatures en de werkloosheid bedoeld die overeenkomt met het historisch gemiddelde, en bij een ‘krappe arbeidsmarkt’ bedraagt de initiële verhouding driemaal de standaarddeviatie boven het historische gemiddelde. Een ‘grote schok’ komt overeen met een stijging van de olie- en gasprijzen met 70% of meer, overeenkomstig de drempel voor grote schokken zoals vastgesteld door Bobeica, Holton, Huber en Martínez Hernández (2025). Het Bernanke-Blanchard-model voor het eurogebied is opnieuw geraamd en uitgebreid om de prijsvergelijking te kunnen opsplitsen in HICP-energie, HICP-voedingsmiddelen en HICP exclusief energie en voedingsmiddelen. Dit maakt de simulatie en analyse van de doorwerking van een schok in de olie- en gasprijzen mogelijk. Het BVAR-model voor inflatie is gebaseerd op Martínez Hernández, C., 'The granular transmission of energy shocks to inflation', 2026, mimeo, en houdt rekening met HICP-energie, HICP-voedingsmiddelen, HICP-diensten, HICP-goederen, de producentenprijzen, de industriële productie, de olieprijzen in euro, Duitse overheidsobligaties met een looptijd van één jaar, de bedrijfsobligaties van het eurogebied met een BBB-rating, de aandelenkoersen, de inkoopmanagersindex voor de levertijden van leveranciers, de Global Supply Chain Pressure Index en de contractlonen exclusief bonussen. De variabelen worden waar nodig omgezet in logaritmische verschillen. Het model gebruikt de gewogen som van de olie- en gasschokken in Bańbura et al. (2023) als intern instrument voor energieschokken, waarbij olie en gas hetzelfde gewicht hebben als in de synthetische energieprijsindicator. Twee versies van het NAWM II-model worden gebruikt om de doorwerking te toetsen in een niet-lineaire modelvariant waarin een curverelatie tussen prijzen/lonen en marginale kosten is geïntegreerd, zoals in Harding, M., Lindé, J. en Trabandt, M., Understanding Post-COVID Inflation Dynamics, IMF Working Papers, Internationaal Monetair Fonds, 2023. Het model wordt eerst opgelost met een standaard linearisatiebenadering en daarna met niet-lineaire methoden op basis van een sterk gebogen Phillipscurverelatie. Zoals bij het NAWM-E-model houdt deze modelvariant rekening met een positieve doorwerking van energieprijzen in de productie van binnenlandse goederen. In de niet-lineaire modelvariant leidt de stijging van de marginale kosten tot een sterkere prijsrespons dan in de lineaire variant, aangezien bedrijven bij het bepalen van de optimale prijs lagere winsten agressiever proberen terug te verdienen naarmate de schok groter is.

3.2.2 De macro-economische implicaties voor het eurogebied

De verschillende scenario’s wijzen op aanzienlijke neerwaartse risico’s voor de groei in het eurogebied en opwaartse risico’s voor de inflatie (Tabel 6 en Grafiek 15). Zowel het ongunstige als het ernstige scenario laten een geleidelijk zwakkere bbp-groei in het eurogebied zien (in de periode 2026-2027) en een hogere, hardnekkigere inflatie (over de volledige projectieperiode) dan in de basisprojecties van juni. In het ernstige scenario is er sprake van een uitgesproken verslechtering van de vooruitzichten als gevolg van aanhoudende energie- en onzekerheidsschokken. In het mildere scenario veert de economische bedrijvigheid weer op en neemt de inflatie sneller af.

Tabel 6

Belangrijkste variabelen van het eurogebied in het basisscenario en de alternatieve scenario’s

(mutaties in procenten per jaar)

Reële bbp-groei

HICP-inflatie

HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen

2026

2027

2028

2026

2027

2028

2026

2027

2028

Basisscenario juni 2026

0,8

1,2

1,5

3,0

2,3

2,0

2,5

2,5

2,2

Milder scenario

0,8

1,4

1,6

2,9

1,8

1,8

2,4

2,3

2,1

Ongunstig scenario

0,7

0,9

1,5

3,3

3,0

2,3

2,5

2,7

2,3

Ernstig scenario

0,5

0,4

1,6

4,0

5,3

3,0

2,5

3,8

2,9

Bron: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties van ECB-BASE-modellen.

In het mildere scenario herstelt de bbp-groei iets eerder en matigt de inflatie sneller dan in het basisscenario. Doordat de stijging van de energieprijzen in dit scenario sneller wegebt dan in de basisaannames, daalt de inflatie tot onder het basisniveau en komt die in 2027 en 2028 onder de doelstelling van 2% uit. Lagere energieprijzen zouden ook de bbp-groei ten goede komen. De reële groei komt daarbij iets boven het basisscenario uit, op 1,4% in 2027 en 1,6% in 2028.

In het ongunstige scenario leidt de schok tot een aanhoudende opwaartse verschuiving van de energieprijzen met langere inflatoire druk tot gevolg, terwijl de bbp-groei op korte termijn wordt afgezwakt. De reële bbp-groei zakt terug onder het basisscenario, naar 0,7% in 2026 en 0,9% in 2027, maar stijgt opnieuw tot 1,5% in 2028 wanneer de energieprijzen dalen en de onzekerheid afneemt. De HICP-inflatie stijgt in dit scenario tot 3,3% in 2026 en blijft met 3,0% hoog in 2027, alvorens in 2028 uit te komen op 2,3%. De kerninflatie piekt in 2027 op 2,7%, als gevolg van de geleidelijke ontwikkeling van indirecte en tweederonde-effecten op prijzen en lonen, en daalt tot 2,3% in 2028.

Het ernstige scenario laat een aanzienlijk uitdagender macro-economisch klimaat zien, dat beïnvloed wordt door sterkere en hardnekkigere schokken in de grondstoffenprijzen in combinatie met versterkte indirecte en tweederonde-effecten. De reële bbp-groei daalt aanzienlijk tot 0,5% in 2026, met een negatieve groei in de tweede helft van het jaar, en tot 0,4% in 2027, wat wijst op een aanhoudend zwakke bedrijvigheid. In 2028 veert de bbp-groei weer op naar 1,6%. De totale inflatie neemt sterk toe, tot 4,0% in 2026 en een piek van 5,3% in 2027, terwijl de kerninflatie aanzienlijk stijgt doordat de hogere energieprijzen steeds meer doorwerken in de binnenlandse prijzen en lonen.

Grafiek 15

Basisscenario en alternatieve scenario’s voor de belangrijkste variabelen van het eurogebied

Reëel bbp

(veranderingspercentages op kwartaalbasis)

HICP

HICPX

(mutaties in procenten per jaar)

(mutaties in procenten per jaar)

HICP energie

HICP voedingsmiddelen

(mutaties in procenten per jaar)

(mutaties in procenten per jaar)


De negatieve macro-economische effecten van het ongunstige en het ernstige scenario vloeien in eerste instantie voornamelijk voort uit hogere energiekosten en onzekerheid. Na verloop van tijd ontstaan ze echter steeds vaker door bredere overloopeffecten op de handel, de binnenlandse vraag en de kerninflatie. Uit Grafiek 16 blijkt dat de verslechtering van de reële bbp-groei voornamelijk het gevolg is van hogere energieprijzen, toegenomen onzekerheid en zwakkere handel. In 2027 vertraagt de groei verder doordat de zwakkere mondiale vraag, die deels te wijten is aan hogere internationale voedsel- en energieprijzen, de uitvoer van het eurogebied steeds meer drukt, terwijl hogere energieprijzen en krappere financieringsvoorwaarden de binnenlandse vraag verder afremmen. Tegen 2028 normaliseert de bbp-groei geleidelijk naarmate de druk op de energieprijzen wegebt en de lonen zich na de aanvankelijke daling van de reële inkomens enigszins herstellen. Het belangrijkste transmissiekanaal voor de inflatie zijn de hogere energiekosten, die een direct effect hebben op de energie-inflatie maar ook de productiekosten voor niet-energetische producten verhogen. In het ernstige scenario werken sterkere indirecte en tweederonde-effecten steeds meer door in de voedsel- en kerninflatie, wat leidt tot een aanzienlijk hardnekkigere HICP-inflatie. In het mildere scenario wordt de groei ondersteund door een lagere inflatie dan in het basisscenario, grotendeels als gevolg van lagere energieprijzen, en verder gestimuleerd door een gunstigere externe omgeving.

Grafiek 16

Impact op de economie van het eurogebied naar kanaal of component in verschillende scenario’s

a) Reëel bbp, naar kanaal

(afwijking t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)


b) HICP, naar kanaal

(afwijking t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)


C) HICP, naar component

(afwijking t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

Bron: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties van ECB-BASE-modellen.
Toelichting: De simulaties worden uitgevoerd in het kader van een prognose waarbij gebruik wordt gemaakt van het ECB-BASE-model met een exogeen monetair beleid van het eurogebied.

3.3 Gevoeligheidsanalyses van de energievoorziening en verstoringen voor vliegtuigbrandstof in het ernstige scenario

Naast de risicokanalen die al in beschouwing zijn genomen voor de verschillende scenario’s zijn ook gevoeligheidsanalyses uitgevoerd voor twee bijkomende risicokanalen, die beide betrekking hebben op energieproducten. Het gaat hierbij om het effect van rantsoenering van de energievoorziening en tekorten aan vliegtuigbrandstof. De gevoeligheden worden alleen gepresenteerd voor het ernstige scenario, aangezien deze kanalen het meest relevant zijn bij grote en hardnekkige schokken en daarom in de eerste plaats van invloed zijn op resulterende staartrisico’s. In overeenstemming met de bij de analyses vastgestelde aanbodschok zou in beide gevallen de reële bbp-groei lager en de inflatie hoger zijn.

3.3.1 Verstoringen van de energievoorziening

Bijkomende fysieke verstoringen van de energievoorziening, als gevolg van de opschorting van de uitvoer van ruwe en geraffineerde energiebronnen uit de Perzische Golf, zouden de levering van aardoliegas en geraffineerde aardolieproducten in het eurogebied met 3% kunnen verminderen en de impact van de oorlog in het Midden-Oosten nog groter maken dan enkel de prijseffecten die in de scenario’s zijn opgenomen. Om dit risico te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van een multinationaal en multisectoraal dynamisch stochastisch algemeen evenwichtsmodel (DSGE) met wereldwijde productienetwerken, waarmee kan worden geanalyseerd hoe verstoringen bij de toelevering van energie-inputs zich verspreiden in sectoren en landen door middel van input-outputverbanden.[26] Het effect op de bedrijvigheid is aanzienlijk: de bbp-groei in het eurogebied daalt in 2026 en 2027 met ongeveer 0,3 procentpunt (Grafiek 17). Gezien de schok zich voordoet bij de toelevering, werkt deze ook door in de marginale kosten en verkoopprijzen van bedrijven, waardoor de totale HICP-inflatie in het eurogebied in 2026 stijgt met ongeveer 0,1 procentpunt, in 2027 met 0,4 procentpunt en in 2028 met 0,2 procentpunt, bovenop de effecten in het ernstige scenario.

3.3.2 Tekorten aan vliegtuigbrandstof

In geval van extreme tekorten zou het mondiale luchtvervoer met 50% kunnen dalen.[27] Volgens een multinationaal multisectoraal DSGE-model met mondiale productienetwerken zouden dergelijke verstoringen van het luchtvervoer de bbp-groei van het eurogebied in 2027 met ongeveer 0,1 procentpunt doen dalen en de totale en kerninflatie in 2027 en 2028 met ongeveer 0,2 procentpunt doen stijgen (Grafiek 17). In het model wordt ervan uitgegaan dat het moeilijk zou zijn om het luchtvervoer te vervangen door andere vervoersmethoden, met name voor internationale reizen en tijdgevoelige goederen.

Grafiek 17

Gevolgen voor de groei en inflatie in het eurogebied in het ernstige scenario op basis van de gevoeligheidsanalyse

a) Groei reëel bbp

B) HICP-inflatie

(afwijking t.o.v. groeicijfers ernstige scenario, in procentpunten)

(afwijking t.o.v. groeicijfers ernstige scenario, in procentpunten)

Bron: Berekeningen van ECB-medewerkers op basis van simulaties van ECB-BASE-modellen.

3.4 Voorbehoud bij de scenarioanalyse

Deze scenarioanalyses omvatten geen monetaire of budgettaire beleidsreacties die de gevolgen van de inflatie zouden verzachten, noch andere kanalen die de macro-economische impact zouden kunnen beïnvloeden. Zoals gebruikelijk bij scenarioanalyses in de door medewerkers samengestelde projecties, wordt in de scenario’s uitgegaan van een ongewijzigd monetair en begrotingsbeleid ten opzichte van het basisscenario. De aanzienlijke stijgingen van de inflatie, met name in het ernstige scenario, zouden waarschijnlijk gedeeltelijk worden gecompenseerd door een krapper monetair beleid of budgettaire steunmaatregelen die de consumptieprijzen van energie zouden kunnen verlagen – zoals tijdens de periode van hoge inflatie in 2022-2024. Andere kanalen die niet expliciet in de analyses zijn opgenomen, zijn mogelijke positieve effecten in landen van het eurogebied die kunnen profiteren van toeristen die anders naar het Midden-Oosten zouden zijn gegaan, en de effecten van migratiedruk in verband met een mogelijke vluchtelingencrisis.

4 Gevoeligheidsanalyses

4.1 Alternatieve energieprijsontwikkelingen

Alternatieve ontwikkelingen van de prijzen van energiegrondstoffen wijzen op aanzienlijke opwaartse risico’s voor de inflatie, met name op de korte termijn, en neerwaartse risico’s voor de groei. De medewerkersrojecties zijn gebaseerd op de technische aannames zoals uiteengezet in Kader 2. In deze gevoeligheidsanalyse worden de risico’s geanalyseerd aan de hand van verschillende percentielen van de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor zowel de olie- als de gasprijzen.[28] Daarnaast wordt voor zowel de olie- als de gasprijzen een gevoeligheidsanalyse met constante prijzen uitgevoerd. Deze analyse verschilt van de in paragraaf 3 gepresenteerde scenario’s over het conflict in het Midden-Oosten, in die zin dat hier alleen de prijzen van energiegrondstoffen worden meegenomen, terwijl in de scenario’s ook onzekerheid een rol speelde in de manier waarop de macro-economische effecten werden beoordeeld.[29] De resultaten zijn in Tabel 7 te vinden.

Grafiek 18

Alternatieve ontwikkelingen van de aannames voor energieprijzen

a) Olieprijsaanname

(USD/vat)


b) Gasprijsaanname

(EUR/MWh)

Bronnen: Morningstar en berekeningen van de ECB.
Toelichting: De van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de olie- en gasprijzen zijn op 21 mei 2026 afgeleid uit de marktnoteringen voor opties op ruwe olie van ICE Brent en gasfutures van Dutch TTF met vaste driemaandelijkse vervaldata.

Tabel 7

Alternatieve ontwikkelingen van de energieprijzen en het effect ervan op de reële bbp-groei en HICP-inflatie

(afwijkingen ten opzichte van het basisscenario, in procenten; afwijkingen van de groeicijfers in het basisscenario, in procentpunten)

Olieprijs

Gasprijs

Synthetische energieprijsindex

Reële bbp-groei

HICP-inflatie

Alternatief 1: 5e percentiel

2026

-25,5

-24,9

-25,3

0,0

-0,6

2027

-39,9

-41,3

-40,0

0,5

-1,2

2028

-40,1

-46,3

-41,8

0,5

-0,6

Alternatief 2: 25e percentiel

2026

-11,2

-11,5

-11,2

0,0

-0,3

2027

-16,0

-20,0

-17,1

0,2

-0,5

2028

-16,2

-22,9

-17,8

0,2

-0,3

Alternatief 3: 75e percentiel

2026

14,2

17,9

15,2

0,0

0,4

2027

18,8

29,9

22,2

-0,3

0,6

2028

19,0

31,6

22,6

-0,3

0,3

Alternatief 4: 95e percentiel

2026

44,9

78,8

55,8

0,0

1,2

2027

61,4

116,6

78,8

-0,8

2,1

2028

63,1

110,7

76,3

-0,9

1,0

Alternatief 5: constante prijzen

2026

7,2

-0,9

5,3

-0,1

0,2

2027

35,0

25,2

33,6

-0,4

1,0

2028

43,9

68,5

52,7

-0,5

1,0

Toelichting: In deze gevoeligheidsanalyse wordt gebruikgemaakt van een synthetische energieprijsindex, waarbij de termijnprijzen van olie en gas worden gecombineerd. De verscheidene percentielen hebben betrekking op de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de olie- en gasprijzen op 21 mei 2026. De constante olie- en gasprijzen zijn per dezelfde datum. De macro-economische effecten worden gerapporteerd als gemiddelden van een aantal macro-economische modellen van medewerkers van de ECB en het Eurosysteem. In sommige modellen leidt de sterke reactie van de inflatie op een stijging van de energieprijzen, onder de aanname van ongewijzigd monetair beleid, tot een aanzienlijke daling van de reële rente en een tijdelijk expansief vraageffect, waardoor de gemiddelde bbp-reactie op de korte termijn afneemt.

4.2 Alternatieven voor het beloop van de wisselkoers

Alternatieve ontwikkelingen van de wisselkoers wijzen op de mogelijkheid van een verdere appreciatie van de euro, vooral op de middellange termijn, en dus op enige neerwaartse risico’s voor de groei en de inflatie. De technische aannames voor de wisselkoersen in de basisprojecties worden gedurende de projectieperiode constant gehouden. Alternatieve neerwaartse en opwaartse ontwikkelingen worden afgeleid van het 25e en 75e percentiel van de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de USD/EUR-wisselkoers op 21 mei 2026, die wezen op een appreciatie van de euro (Grafiek 19). Mogelijk komt dit doordat de verwachtingen van marktdeelnemers ten aanzien van het monetair beleid in het eurogebied ten opzichte van de Verenigde Staten, alsook de verwachtingen omtrent een mogelijke oplossing voor de oorlog in het Midden-Oosten, de euro ondersteunen. De effecten van de alternatieve ontwikkelingen worden beoordeeld aan de hand van macro-economische modellen van medewerkers van de ECB en het Eurosysteem. Tabel 8 toont het gemiddelde effect op de productiegroei en de inflatie dat uit de modellen naar voren komt.

Grafiek 19

Alternatieve ontwikkelingen voor de USD/EUR-wisselkoers

Bronnen: Bloomberg en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: Een stijging impliceert een appreciatie van de euro. Het 25e en het 75e percentiel hebben betrekking op de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de USD/EUR-wisselkoers op 21 mei 2026.

Tabel 8

Impact van alternatieven voor het beloop van de wisselkoers op het reëel bbp en de HICP-inflatie

Alternatief 1: 25e percentiel

Alternatief 2: 75e percentiel

2026

2027

2028

2026

2027

2028

USD/EUR-wisselkoers

1,15

1,12

1,11

1,18

1,23

1,28

USD/EUR-wisselkoers
(% afwijking van het basisscenario)

-1,3

-3,8

-4,8

1,2

5,7

9,5

(afwijkingen t.o.v. groeicijfers basisscenario, in procentpunten)

Groei reëel bbp

0,0

0,1

0,1

0,0

-0,1

-0,2

HICP-inflatie

0,0

0,1

0,1

0,0

-0,2

-0,3

Bronnen: Bloomberg en berekeningen van ECB-medewerkers.
Toelichting: Een stijging impliceert een appreciatie van de euro. Het 25e en het 75e percentiel hebben betrekking op de van opties afgeleide neutrale waarschijnlijkheden voor de USD/EUR-wisselkoers op 21 mei 2026. De macro-economische effecten worden gerapporteerd als gemiddelden van een aantal macro-economische modellen van medewerkers van de ECB en het Eurosysteem.

Kader 5
Vergelijking met prognoses door andere instellingen en de private sector

Voorspellingen van andere instellingen en enquêtes van voorspellers uit de private sector laten gedurende de projectieperiode een relatief smalle bandbreedte zien voor zowel de groei als de inflatie, ondanks de grote onzekerheid. De door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde projecties van juni 2026 voor de groei liggen binnen de bandbreedte van andere prognoses voor 2026-2027 en erboven voor 2028. Voor de inflatie liggen de projecties van medewerkers boven de meeste andere prognoses voor 2026, met uitzondering van de meest recente prognose van de Europese Commissie. De medewerkersprojecties liggen daarna grotendeels in dezelfde lijn, waarbij alle prognoses aangeven dat de inflatie op middellange termijn weer dicht bij de doelstelling zal uitkomen. Voor de HICPX-inflatie liggen de door medewerkers samengestelde projecties gedurende de projectieperiode net boven of bovenaan de bandbreedte van andere prognoses.

Tabel A

Vergelijking van recente prognoses voor de reële bbp-groei, de HICP-inflatie en de HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen in het eurogebied

(mutaties in procenten per jaar)

 

Publicatiedatum

Groei reëel bbp

HICP-inflatie

HICP-inflatie exclusief energie en voedingsmiddelen

2026

2027

2028

2026

2027

2028

2026

2027

2028

Projecties Eurosysteem-medewerkers

Juni 2026

0,8

1,2

1,5

3,0

2,3

2,0

2,5

2,5

2,2

OESO

Juni 2026

0,8

1,2

-

2,8

2,4

-

2,4

2,4

-

Europese Commissie

Mei 2026

0,9

1,2

-

3,0

2,3

-

2,3

2,5

-

Consensus Economics

Mei 2026

0,8

1,2

1,4

2,9

2,2

1,9

2,3

2,2

-

Survey of Professional Forecasters

Mei 2026

1,0

1,3

1,3

2,7

2,1

2,0

2,2

2,2

2,1

Internationaal Monetair Fonds

April 2026

1,1

1,2

1,4

2,6

2,2

2,1

-

-

-

Bronnen: Economic Outlook van de OESO, 3 juni 2026; Spring 2026 Economic Forecast van de Europese Commissie, 21 mei 2026; Consensus Economics Forecasts, 14 mei 2026 (gegevens voor 2028 afkomstig uit de enquête van april 2026); Survey of Professional Forecasters van de ECB, 4 mei 2026; IMF World Economic Outlook, 14 april 2026.
Toelichting: Deze prognoses zijn niet direct met elkaar of met de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties vergelijkbaar, aangezien ze op verschillende tijdstippen zijn opgesteld. Daarnaast maken ze gebruik van andere methoden om aannames af te leiden over de budgettaire, financiële en externe variabelen, waaronder de prijzen voor olie, gas en andere grondstoffen. In de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties worden voor het aantal werkdagen gecorrigeerde groeicijfers voor het reële bbp op jaarbasis gehanteerd, terwijl bij de Europese Commissie en het Internationaal Monetair Fonds de groeicijfers op jaarbasis niet zijn gecorrigeerd voor het aantal werkdagen per jaar. Bij de andere prognoses wordt niet aangegeven of de gegevens al dan niet worden gecorrigeerd voor het aantal werkdagen.

Kader 6
Een update over de prestaties van de door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde projecties voor groei en inflatie

Door Anna-Camilla Hofmann-Drahonsky, Adrian Page en Elena Rusticelli

De nauwkeurigheid van de door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde projecties wordt regelmatig beoordeeld om lessen te kunnen trekken uit fouten uit het verleden en om de betrouwbaarheid van de projecties voor het monetair beleid te meten. In overeenstemming met de beoordeling door de ECB van haar monetairbeleidsstrategie in 2025, waarin werd aangegeven dat transparante communicatie over projectiefouten ook belangrijk is, omvatten de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde projecties elk jaar in juni een evaluatie van de fouten rond de groei- en inflatieprojecties voor verschillende periodes[30] In dit kader bespreken we de recente prestaties van de projecties tot en met het eerste kwartaal van 2026. De fouten blijken over het geheel genomen beperkt te zijn, ondanks enige volatiliteit. De huidige oorlog in het Midden-Oosten brengt echter aanzienlijke uitdagingen met zich mee voor economische prognoses en vereist nauwlettend toezicht op binnenkomende gegevens en flexibiliteit om projecties snel aan te passen om aanhoudende voorspellingsfouten te voorkomen.

De projectiefouten op korte termijn voor de bbp-groei van het eurogebied in 2025 waren volatiel als gevolg van handelsspanningen en verhoogde mondiale onzekerheid, terwijl de fouten een jaar vooruit ruim onder de historische gemiddelden lagen (Grafiek A). De sterker dan verwachte uitvoer en investeringen van het eurogebied hebben ertoe geleid dat de groei van het eurogebied in het eerste en derde kwartaal van 2025 hoger was dan voorzien, waarbij de projectiefouten een kwartaal vooruit boven de gemiddelden van de periode vóór de coronapandemie lagen. Deze onderschattingen zijn respectievelijk toe te schrijven aan de onverwachte impuls van grootschalige vervroegde aankopen (frontloading) in de aanloop naar de hogere Amerikaanse heffingen en de langzamer dan verwachte afbouw ervan, met name in Ierland. Nadat de groei gedurende het grootste deel van de periode 2021-2024 aanzienlijk lager uitviel dan verwacht, daalden de fouten een jaar vooruit daarna echter tot ruim onder de gemiddelde absolute fout van vóór de pandemie, waarbij enkele kleine fouten deels het gevolg waren van een sterker dan voorziene buitenlandse vraag naar goederen en diensten uit het eurogebied. De huidige oorlog in het Midden-Oosten begon tegen het einde van het eerste kwartaal van 2026 en had daarom weinig impact op de fouten een kwartaal vooruit voor de reële bbp-groei in dat kwartaal. De grote overschatting was eerder toe te schrijven aan idiosyncratische factoren die van invloed waren op de raming voor het Ierse bbp, die sterk negatief was.[31]

Grafiek A

Fouten in de door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde projecties voor de groei van het reële bbp op kwartaalbasis in het eurogebied sinds 2021

a) Fouten één kwartaal vooruit

(in procentpunten)


b) Fouten één jaar vooruit

(in procentpunten)

Bronnen: Door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde macro-economische projecties en Eurostat.
Toelichting: In paneel a) worden fouten gedefinieerd als de werkelijke uitkomst voor een bepaald kwartaal minus de in het voorgaande kwartaal geraamde projectie (bijv. het realtimeresultaat voor het vierde kwartaal van 2022 minus de projectie uit de door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties van september 2022). In paneel b) worden fouten gedefinieerd als de werkelijke uitkomst voor een bepaald kwartaal minus de projectie van vier kwartalen eerder (bijv. het realtimeresultaat voor het vierde kwartaal van 2022 minus de projectie uit de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties van december 2021). De gemiddelde absolute fouten voor de HICP hebben betrekking op de periode 1999-2019, zonder rekening te houden met uitschieters tijdens de mondiale financiële crisis.

De nauwkeurigheid van de inflatieprojecties op korte termijn is de afgelopen tijd in overeenstemming met de historische gemiddelden. De prestaties van de projecties een jaar vooruit zijn aanzienlijk verbeterd, terwijl volatiele energieprijzen een belangrijke uitdaging blijven voor inflatieprojecties op korte termijn (Grafiek B). Terwijl de inflatieprojecties één jaar vooruit zeer nauwkeurig waren in 2025, waren de fouten een kwartaal vooruit meer in overeenstemming met de absolute gemiddelde fout van vóór de pandemie (+/- 0,3 procentpunt) en waren ze vrij volatiel. De volatiliteit loopt sterk gelijk met de fouten die werden opgetekend bij de projecties voor de energiecomponent van de HICP-inflatie in die periode (die op hun beurt grotendeels verband houden met fouten in de technische aannames voor de prijzen van energiegrondstoffen, op basis van de futuresprijzen op het moment dat de projecties werden geproduceerd). De hoger dan verwachte energie-inflatie was ook de belangrijkste oorzaak van de kleine positieve projectiefout in het eerste kwartaal van 2026 en houdt voornamelijk verband met het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten, waardoor de prijzen van energiegrondstoffen, met name voor olie, veel meer zijn gestegen dan door de markten was aangenomen. In overeenstemming met de sinds de pandemie waargenomen tendens waren onvoorziene veranderingen in de energieprijzen over het geheel genomen goed voor gemiddeld ongeveer 60% van de totale inflatiefouten op korte termijn in 2025 en 70% in het eerste kwartaal van 2026. Ter vergelijking: de weging van energie in de HICP-mand bedraagt minder dan 10%.

Grafiek B

Fouten in de door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde projecties voor de totale HICP-inflatie in het eurogebied sinds 2021

a) Fouten één kwartaal vooruit

(in procentpunten)


b) Fouten één jaar vooruit

(in procentpunten)

Bronnen: Door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde macro-economische projecties en Eurostat.
Toelichting: In paneel a) worden fouten gedefinieerd als de werkelijke uitkomst voor een bepaald kwartaal minus de in het voorgaande kwartaal geraamde projectie (bijv. het realtimeresultaat voor het vierde kwartaal van 2022 minus de projectie uit de door medewerkers van de ECB samengestelde macro-economische projecties van september 2022). In paneel b) worden fouten gedefinieerd als de werkelijke uitkomst voor een bepaald kwartaal minus de projectie van vier kwartalen eerder (bijv. het realtimeresultaat voor het vierde kwartaal van 2022 minus de projectie uit de door medewerkers van het Eurosysteem samengestelde macro-economische projecties van december 2021). De gemiddelde absolute fouten voor de HICP hebben betrekking op de periode 1999-2019, zonder rekening te houden met uitschieters tijdens de mondiale financiële crisis.

In lijn met andere voorspellers uit de private sector en internationale instellingen zijn de groeiprojecties van het Eurosysteem/de ECB voor 2025 de afgelopen twee jaar herhaaldelijk herzien als gevolg van grote beleidsonzekerheid en herhaalde verrassingen in de gegevens. Grafiek C toont het verloop van de projecties voor groei en inflatie voor het jaar 2025; de resultaten worden weergegeven als een horizontale lijn. In de eerste door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde projecties voor 2025 van eind 2022 en de eerste helft van 2023 werd de groei licht overschat, deels als gevolg van de sterker dan verwachte appreciatie van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar, waardoor de concurrentiepositie van de uitvoer van het eurogebied verslechterde. Van medio 2023 tot medio 2024 waren de groeiprojecties relatief nauwkeurig. Neerwaartse bijstellingen van de bbp-groei voor 2025 vanaf de tweede helft van 2024 leidden echter tot steeds grotere onderschattingen, die in de projecties van maart en juni 2025 een piek bereikten op het hoogtepunt van de onzekerheid over de invoerheffingen. Door de oplopende handelsspanningen verlaagden alle voorspellers hun groeiverwachtingen omdat ze ervan uitgingen dat beleidsonzekerheid aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor de investeringsbeslissingen van bedrijven en dat de heffingen zelf de uitvoerbedrijvigheid sterk zouden afremmen. Aangezien de binnenkomende gegevens onverwacht beter uitvielen en de onzekerheid over het handelsbeleid sneller afnam dan verwacht, werden de projecties vanaf medio 2025 geleidelijk opwaarts bijgesteld.

Grafiek C

De ontwikkeling van prognoses van de bbp-groei en de gemiddelde HICP-inflatie in het eurogebied op jaarbasis voor 2025 bij verschillende internationale organisaties en voorspellers uit de private sector

a) Groei reëel bbp

(mutaties in procenten per jaar)


B) HICP-inflatie

(mutaties in procenten per jaar)

Bronnen: Projecties door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB, Consensus Economics, Survey of Professional Forecasters (SPF) van de ECB, Europese Commissie, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), Internationaal Monetair Fonds (IMF) en Eurostat.
Toelichting: Deze prognoses zijn niet direct met elkaar of met de door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde macro-economische projecties vergelijkbaar, aangezien ze op verschillende tijdstippen zijn opgesteld. Daarnaast maken ze gebruik van andere methoden om aannames af te leiden over de budgettaire, financiële en externe variabelen, waaronder de prijzen voor olie, gas en andere grondstoffen. Voor op enquêtes gebaseerde bronnen (Consensus Economics en SPF) verwijzen de gegevenspunten naar het gemiddelde.

Voor de inflatie in 2025 deden de projecties van medewerkers van de ECB/het Eurosysteem het goed, net als die van andere voorspellers. De fouten bleven beperkt en vertoonden geen duidelijke tendens. Het verschil tussen de uitkomsten en de door medewerkers van de ECB/het Eurosysteem samengestelde projecties schommelde binnen een smalle bandbreedte (-0,1 tot +0,1 procentpunt) en was in ruime mate toe te schrijven aan wijzigingen in de technische aannames voor de prijzen van energie en voedingsmiddelen en voor de wisselkoers van de euro. De goede resultaten kwamen terug bij nagenoeg alle voorspellers, die allemaal relatief dicht rond het uiteindelijke resultaat uitkwamen.

De risico’s van onnauwkeurigheid bij de projecties zijn momenteel groot, gezien de hoge mate van onzekerheid en de volatiliteit van de grondstoffenprijzen. Als de inflatieprojecties van juni 2026 voor het tweede kwartaal van 2026 juist zijn, bedraagt de inflatiefout een jaar vooruit 1,5 procentpunt, wat hoger zou zijn dan het absolute gemiddelde van vóór de pandemie in Grafiek B, paneel b. Hoewel onvoorspelbare schokken betekenen dat prognosefouten onvermijdelijk zijn, werd in de beoordeling van de monetairbeleidsstrategie van de ECB van 2025 een aantal aanbevelingen gedaan om toekomstige fouten in de projecties te beperken.[32] In die aanbevelingen wordt bijvoorbeeld gewezen op de voordelen van een grotere granulariteit in modellen en gegevens voor het monitoren van de ontwikkelingen in de energiesector, met inbegrip van informatie over de rol van olieraffinagemarges. Daarnaast wordt het voordeel benadrukt van een ad-hocverkorting van de tijd tussen de afsluitdatum voor de technische aannames en de publicatie van de projecties, in gevallen waarin er laat in de voorbereidingsfase van de projecties nieuwe informatie beschikbaar komt. Hieraan werd gevolg gegeven in de door medewerkers van de ECB samengestelde projecties van maart 2026 en ook voor toekomstige projecties zijn structureel latere afsluitdata gepland. Tot slot werd in de beoordeling van de monetairbeleidsstrategie van 2025 aanbevolen om frequente evaluaties van het analytisch instrumentarium van het Eurosysteem uit te voeren om atypische economische schommelingen beter weer te geven. Daarnaast moeten basisprojecties worden aangevuld met scenarioanalyses, met name in tijden van grote onzekerheid, wanneer het risico op grotere voorspelfouten toeneemt. De inspanningen om potentiële tekortkomingen in de projectie-instrumenten van de ECB aan te pakken, die voortbouwen op de lessen die zijn getrokken uit de periode van hoge inflatie in 2021-2024, omvatten de herijking van modellen voor de doorwerking van de prijzen van energiegrondstoffen in de consumptieprijzen, alsook de herbeoordeling van de inflatie en de in de modellen opgenomen transmissiekanalen, zoals de wisselwerking tussen lonen en prijzen en de inflatieverwachtingen (zie Kader 4).[33]

© Europese Centrale Bank, 2026

Postadres 60640 Frankfurt am Main, Duitsland
Telefoon +49 69 1344 0
Website www.ecb.europa.eu

Alle rechten voorbehouden. Reproductie voor educatieve en niet-commerciële doeleinden is alleen toegestaan met bronvermelding.

Zie voor een verklaring van de terminologie de ECB-woordenlijst.

HTML ISBN 978-92-899-7745-6, ISSN 2529-4776, doi:10.2866/4244582 QB-01-26-088-NL-Q


  1. De afsluitingsdatum voor de projecties voor de wereldeconomie was 20 mei 2026, die voor de technische aannames 21 mei 2026 en die voor de macro-economische projecties voor het eurogebied 27 mei 2026.

  2. Op 5 juni 2026, na de afsluitingsdatum voor deze projecties, publiceerde Eurostat een herziene raming die erop duidt dat het reële bbp van het eurogebied in het eerste kwartaal van 2026 met 0,2% is gekrompen. De oorzaak, de krimp van het Ierse bbp met 12,1%, hing samen met activiteiten van multinationale ondernemingen die weinig relevant zijn voor de binnenlandse economie. De bijgestelde nominale gegevens wijzen weliswaar op neerwaartse risico’s voor de jaarlijkse projecties van het reële bbp van Ierland en het eurogebied in 2026, maar de aangepaste binnenlandse vraag in Ierland (zie voetnoot 3), een maatstaf die nauwer verband houdt met de onderliggende binnenlandse bedrijvigheid, viel een verrassende 2,9 procentpunt hoger uit. Merk op dat, gezien de grote onzekerheid rond de flashraming, bij deze projecties een afgevlakt kwartaalprofiel voor Ierland is gebruikt, dat resulteert in 0,2% groei in het eurogebied in het eerste kwartaal van 2026.

  3. ‘Aangepaste binnenlandse vraag’ omvat particuliere en overheidsconsumptie en een gewijzigde investeringsmaatstaf die de aankoop van vliegtuigen voor leasing en bepaalde aankopen van intellectuele eigendom uitsluit. De Ierse invoer, uitvoer en voorraadmutaties vallen er niet onder. Daarmee vormt de aangepaste binnenlandse vraag een betere afspiegeling van de onderliggende ontwikkelingen in de binnenlandse bedrijvigheid van Ierland, en gezien de grote volatiliteit van de nominale Ierse bbp-gegevens is hij ook geschikter om de onderliggende ontwikkelingen van de groei in het eurogebied te beoordelen. Meer informatie over de aangepaste binnenlandse vraag is te vinden op de website van het Central Statistics Office of Ireland.

  4. Het effect op de inflatie in de basisprojectie wordt geschat op cumulatief minder dan 0,1 procentpunt over 2025-2028.

  5. De totale bbp-groei van het eurogebied op kwartaalbasis is voor het tweede kwartaal van 2026 met 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld en voor het derde en vierde kwartaal ongewijzigd gebleven, terwijl de maatstaf met de aangepaste binnenlandse vraag voor Ierland voor het tweede kwartaal ongewijzigd is gebleven en voor zowel het derde als het vierde kwartaal met 0,1 procentpunt naar beneden is bijgesteld.

  6. In verwijzingen naar wereldwijd/mondiaal geaggregeerde economische indicatoren is het eurogebied hier buiten beschouwing gelaten, tenzij anders vermeld.

  7. In de projecties van maart 2026 was al een neerwaartse bijstelling van de groei opgenomen als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten.

  8. De mondiale totale CPI-inflatie wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de inflatie in 23 landen, bestaande uit 14 geavanceerde economieën (te weten de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Japan, Zwitserland, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Zweden, Denemarken, Noorwegen, Tsjechië, Hongarije, Polen en Roemenië) en 9 opkomende markteconomieën (China, Rusland, Brazilië, India, Turkije, Korea, Mexico, Singapore en Hongkong).

  9. Verschillende factoren verminderen de daadwerkelijke omvang van de schok. Met name het feit dat er nog altijd enkele tankers door de Straat van Hormuz varen en dat een deel van de olieaanvoer kan worden omgeleid via de pijpleidingen van Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, die samen naar schatting ongeveer 3 miljoen vaten per dag kunnen omleiden. Daardoor is de daadwerkelijke verstoring kleiner, ongeveer 10-15% van het mondiale olieaanbod.

  10. Wijzigingen in de groothandelsprijzen voor gas werken de laatste jaren minder direct door in de groothandelsprijzen voor elektriciteit, omdat het aandeel hernieuwbare energiebronnen en kernenergie in de elektriciteitsopwekking is toegenomen, al bestaan er in dat opzicht grote verschillen tussen de landen van het eurogebied.

  11. Na de afsluitingsdatum bleek uit de flashraming van de HICP voor mei dat de totale HICP-inflatie verder was gestegen tot 3,2%, terwijl de HICPX-inflatie was gestegen tot 2,5%.

  12. De indirecte effecten van de gestegen energieprijzen bereiken naar verwachting in de tweede helft van 2027 hun hoogtepunt.

  13. Het effect van ETS2 op de HICP-inflatie in 2028 wordt geraamd op 0,2 procentpunt. Door afrondingseffecten bedraagt het verschil tussen de in tabel 3 getoonde HICP-inflatie inclusief en exclusief ETS2 slechts 0,1 procentpunt, in plaats van 0,2 procentpunt. Zie voor meer informatie het Kader Macro-economische effecten van het klimaatbeleid in het eurogebied in de projecties van het Eurosysteem van december 2025.

  14. Een analyse van de doorwerking van de energieschok in de NEIG- en de diensteninflatie is bijvoorbeeld Corsello, F. en Foschi, A., The different effects of oil and gas supply shocks on euro area inflation, VoxEU, 13 mei 2026.

  15. De begrotingskoers van het eurogebied wordt gedefinieerd als de verandering in het voor de conjunctuur gecorrigeerde primaire saldo, verder gecorrigeerd voor NGEU-subsidies aan de ontvangstenzijde. Hoewel de begrotingskoers een top-downmaatstaf is voor de richting van het begrotingsbeleid, worden discretionaire begrotingsmaatregelen gemeten aan de hand van een bottom-upbenadering. Deze maatstaven weerspiegelen veranderingen in belastingtarieven, fiscale rechten en andere overheidsuitgaven die zijn of waarschijnlijk zullen worden goedgekeurd door de nationale parlementen van de landen van het eurogebied.

  16. Niet-discretionaire factoren houden voornamelijk verband met de restrictieve begrotingskoers en de ontkoppeling van de belastinggrondslag van het bbp.

  17. Dit onderdeel is opgesteld door E. Angelini, A. Bobasu, G. Bušs, A. Ferrari, A. Kornprobst, G. Nicoletti, A. Stalla-Bourdillon en S. Zimic.

  18. De scenario’s illustreren daarom de directe macro-economische effecten van de schokken in plaats van de meest waarschijnlijke beleidsconsistente uitkomst.

  19. Meer bepaald wordt voor elke grondstof en ieder scenario aangenomen dat de procentuele afwijkingen van het basisscenario overeenkomen met de afwijkingen van de risiconeutrale, van opties afgeleide waarschijnlijkheidspercentielen ten opzichte van het basisscenario op 21 mei 2026.

  20. Hypothetische financiële ontwikkelingen worden verkregen door middel van voorwaardelijke prognoses binnen een Markov-switching Bayesiaans vector-autoregressiemodel. Dit model is gebaseerd op het verloop van de VIX-index en schat de doorwerking verschillend in voor landen met hoge en lage volatiliteit.

  21. In de simulaties voor het internationale klimaat wordt uitgegaan van hogere prijzen van voedingsgrondstoffen, aangezien de oorlog in het Midden-Oosten ook de markten voor kunstmest beïnvloedt. In het ongunstige en ernstige scenario wordt dus aangenomen dat verschillende kunstmestintensieve componenten van de internationale voedselprijsindex, zoals tarwe en maïs, vanaf het derde kwartaal van 2026 respectievelijk het 75e en het 95e percentiel van hun van opties afgeleide prijsverdeling volgen, wat overeenstemt met de aannames voor de prijzen van energiegrondstoffen. Voor andere voedingsgrondstoffen, zoals cacao, wordt aangenomen dat ze niet worden beïnvloed, waardoor de algehele stijging van de voedselprijzen beperkt blijft. In de simulaties voor het eurogebied worden deze effecten in het ongunstige en ernstige scenario meegerekend door middel van een sterkere doorwerking van de energieschok in de consumptieprijzen voor voedsel.

  22. Zie Angelini, E., Darracq Pariès en Zimic, S., (2025), The 2021-24 inflation surge through the lens of the ECB-BASE model, Economic Bulletin, Nummer 3, ECB, 2025.

  23. Zie Bobeica, E., Holton, S., Huber, F. en Martínez Hernández, C., Beware of large shocks! A non-parametric structural inflation model, Working Paper Series, nr. 3052, ECB, mei 2025.

  24. De kalibratie moet worden geïnterpreteerd als een gereduceerde weergave van een sterkere doorwerking van de inflatie. Ze kan worden beschouwd als een weergave van veranderingen in onderliggende gedragskenmerken zoals nominale rigiditeit, tariferingsgedrag, de vorming van verwachtingen en de regels rond de vaststelling van lonen, die tijdens perioden van hoge inflatie gevoeliger kunnen worden voor veranderingen.

  25. In de simulaties met ongewijzigd monetair beleid dragen sterkere indirecte en tweederonde-effecten bij aan een hoger bbp-profiel in de latere jaren van de projectieperiode wegens een sterkere nominale loongroei en een lagere perceptie van de reële rente. Bij een endogene monetairbeleidsreactie zou een hardnekkigere inflatie echter waarschijnlijk leiden tot een verkrapping, wat dan weer een hogere reële rente en een negatiever bbp-profiel als gevolg zou hebben ten opzichte van de standaardtransmissie.

  26. De oefening is een simulatie van een verstoring van de energie-inputs uit de Golf die worden gebruikt in de (lokale) olieraffinage- en gasdistributiesectoren en bij de productie van geraffineerde olie- en gasproducten die zowel in energie- als niet-energiesectoren worden gebruikt. Voor het eurogebied zou het resulterende verschil als gevolg van inputverlies uitgedrukt in totale factorproductiviteit het aanbod van ruwe aardolie, gas en geraffineerde aardolieproducten in het eurogebied met 3% kunnen doen verminderen.

  27. Tijdens de coronapandemie is het wereldwijde luchtvervoer met 50% gedaald. Hoewel een vergelijkbare afname als gevolg van de huidige schok minder waarschijnlijk is, wijst de gevoeligheidsanalyse op de kwetsbaarheid voor een dergelijke ‘staartgebeurtenis’.

  28. De gehanteerde marktprijzen zijn de prijzen die golden op 21 mei 2026 (de afsluitingsdatum voor de technische aannames).

  29. Meer in het bijzonder worden de macro-economische effecten beoordeeld aan de hand van het gemiddelde van de resultaten van een aantal macro-economische modellen van de ECB en het Eurosysteem, terwijl bij de scenario’s voor het Midden-Oosten gebruik werd gemaakt van het ECB-BASE-model. Bovendien werden de modellen gebruikt in de standaardprojectiemodi zonder eventuele verbeterde elasticiteiten met betrekking tot indirecte en tweederonde-effecten, die in de scenario’s voor het Midden-Oosten zijn opgenomen.

  30. Zie ook het kader Een update over de prestaties van de door medewerkers van het Eurosysteem/de ECB samengestelde projecties voor groei en inflatie sinds 2021 in de projecties van het Eurosysteem van juni 2025. Zie voor een uitgebreider overzicht Chahad, M., Hofmann-Drahonsky, A.C., Krause, W., Landau, B. en Sigwalt, A., The empirical performance of ECB/Eurosystem staff inflation projections since 2000, Economic Bulletin, Nummer 5, ECB, 2024.

  31. Zie voetnoot 2. De uitkomst voor het bbp van het eurogebied op basis van de aangepaste binnenlandse vraag voor Ierland in het eerste kwartaal van 2026 lag daarentegen 0,1 procentpunt hoger dan in de projecties van december 2025 werd verwacht.

  32. Werkstroom 1: Changing economic and inflation environment, A strategic view on the economic and inflation environment in the euro area, Occasional Paper Series, Nr. 371, ECB, juni 2025.

  33. Zie ook Angelini, E., Darracq Pariès en Zimic, S., The 2021-24 inflation surge through the lens of the ECB-BASE model, Economic Bulletin, Nummer 3, ECB, 2025.